Wat kun je na zo'n dag nog zeggen

Voor het eerst reed de hele Rabo-ploeg alleen in dienst van kopman Gesink.

Hij en niemand anders droeg verantwoordelijkheid voor succes. En dan dit.

Stuurs voor zich uitkijkend loopt Robert Gesink op zijn wielerschoentjes om het busje van de Rabo-ploeg, een plateau lager dan de eindstreep op het grijze Luz Ardiden. „Doe maar een jasje”, zegt hij zacht tegen een verzorger. Een hand voor ploeggenoot Laurens ten Dam. Zonder woorden. Wielershirt uit, kijk de ‘Rocktape’ op zijn rug. Blik van verstandhouding met vriendin Daisy. Iedereen blijft op gepaste afstand van de aangeslagen Rabo-kopman, die zijn uitgemergelde lichaam warm aankleedt. Twee bidons met dorstlesser en hersteldrank op de fiets met kaderplaatje 41. En dan de berg af, naar het hotel. Geen interviews. Wat zou hij nog moeten zeggen?

Als 77ste kwam Gesink gisteren over de eindstreep in de eerste echte bergetappe van de Tour de France, in het wiel van zijn trouwe meesterhelper Grischa Niermannn, op liefst 17 minuten en 44 seconden van ritwinnaar Samuel Sanchez. Frank Schleck won achter de verrassende nummer twee Jelle Vanendert wat seconden op Ivan Basso, Cadel Evans en broer Andy. Alberto Contador moest in de laatste kilometer verrassend een paar tellen toegeven. Thomas Voeckler behield dapper strijdend de gele leiderstrui.

Tussen deze renners had Gesink (25) willen meestrijden. Minimaal zoals hij in de vorige Tour op Avoriaz achter Andy Schleck en Sanchez derde werd in de eerste bergrit, en schitterde op Madeleine en Tourmalet. En eigenlijk moest het dit jaar nog beter. Podiumplaats en witte trui leken reële doelen. Maandenlang beulde de 1.87 meter lange en 71 kilo lichte klimmer zich af op hoogtestages en ritverkenningen. Voor het eerst reed de hele Rabo-ploeg alleen in zijn dienst. Hij en niemand anders droeg de verantwoordelijkheid voor succes. Om zichzelf nu terug te vinden op de 39ste plaats in het algemeen klassement. „Ver beneden zijn niveau”, oordeelde technisch directeur Erik Breukink ten overvloede, op de berg waar hij zelf in 1990 de Tour verloor.

Slechts een paar kilometer waren er geklommen op de Tourmalet, de tweede van drie Pyreneeëncols in de twaalfde etappe. „Ik wil naar voren rijden”, vertelt de als achttiende geëindigde en al opgefriste Laurens ten Dam na afloop in de achterbak van het Rabo-busje, terwijl op de weg boven hem zijn kopman zwoegend de laatste meters naar de finish aflegt. „Toen hoorde ik Robert in mijn wiel roepen: ‘Lau, Lau, Lau.’ Dan hoop je nog dat hij rustig in zijn tempo moet komen, dat heeft hij wel vaker. Maar ik zag hem niet meer en liet me terug terugzakken. Toen zag ik hem een teken maken dat ik maar moest doorrijden.”

Een dag eerder liep Gesink nog met zijn zwangere vriendin in de witte trui nog stralend door de finishstraat van Lavaur. „Zin in”, twitterde hij gisteren voor de start. „Zijn lichaamstaal was goed”, vond ploegleider Adri van Houwelingen. „Maar dat zegt niet alles in duursport, waarin je over een periode van zes uur een prestatie moet leveren. Ik heb Robert op de Tourmalet gesproken. Hij gaf aan dat pijn lijden hem teveel moeite kostte, zowel fysiek als mentaal.”

Na een harde val van vorige week woensdag kende Gesink grote problemen. Zaterdag, op de verjaardag van zijn vorig jaar oktober overleden vader, verloor hij kostbare tijd. Zondag loste hij op de eerste berg, om zich in de finale wonderbaarlijk te herstellen. „Dat zijn twee zware klappen geweest”, aldus Van Houwelingen. „Dit is de derde klap. Maar nu is het klaar.” Naar huis? „Dat zou de vierde klap zijn, en die kan hij hier in de Tour niet meer oplopen.”

Dus zoeken renner en ploegleiding nieuwe doelen. Misschien kan hij nog herstellen en dan iets uitrichten in de Alpen. Of anders later in het seizoen in de Ronde van Spanje, zoals hij ook na zijn polsbreuk in de Tour van 2009 met enorm doorzettingsvermogen deed. „De Tour verlaat je niet zomaar”, zegt oud-renner Breukink uit ervaring. „Iedereen hoopt, probeert, zet door. De andere jongens hebben hard gewerkt. Ons doel wordt nu om te kijken waar de kansen liggen voor een ritzege.”

Al was het gisteren opvallend dat meerdere Raborenners zich niet van voren handhaafden. Luis Leon Sanchez, ritwinnaar in Saint-Flour, verloor 17.28 minuut en zakte in het klassement van plek 2 naar plaats 37. De grieperige Bauke Mollema werd op 33 minuten 161ste. „Ja, de adelaars van de lage landen zijn vleugellam”, probeerde Breukink een grapje.

Is de aanloop naar de Tour, met weinig wedstrijden en veel gezamenlijke trainingskampen op hoogte, wel goed geweest? „Ik denk niet dat dit het moment is om terug te blikken op de voorbereiding”, zei Van Houwelingen. Al valt op dat Gesink sinds de laatste hoogtestage in Sankt-Moritz uitviel op het NK en tijd verloor op de Mûr-de-Bretagne. Maar dat deed Andy Schleck ook, en die strijdt nu om de Tourzege. Dus was gisteren het beste commentaar van Gesink zelf. Geen commentaar.