Wat je ook doet, don't mention ze war

Op het moment zelf heet een oorlog vaak iets anders.

Vooral als je hem kunt verliezen komt een eufemisme goed van pas.

Wat wij, als lid van de NAVO, op dit moment in Libië doen, hoe zou je dat moeten noemen? Is het een oorlog? Whoa, nee! Toen Giel Beelen onlangs in een gesprekje met Mark Rutte over Libië het woord ‘oorlog’ liet vallen, greep Rutte direct in: „Nee, nee, het is géén oorlog.”

De regering-Obama doet er ook alles aan om het O-woord te vermijden. Het Pentagon is moeilijk te overtreffen in het verzinnen van virtuoze geweldseufemismen – denk aan ‘collateral damage’ voor burgerslachtoffers – en ook hun omschrijving van de operatie in Libië is weer geniaal: het gaat hier om ‘a kinetic militairy action’. Een kinetisch militair optreden! Ook het Witte Huis zet alle semantische zeilen bij. Geen oorlog dus, maar „a time-limited, scope-limited military action, in concert with our international partners, with the objective of protecting civilian life in Libya from Moammar Gaddafi and his forces”. Of: „A number of actions – unilateral and multilateral – aimed at putting pressure on Moammar Gadhafi and those around him to convince him or those around him that he should leave power.”

En, de mooiste: „Not an open-ended military action, the kind of which might otherwise be described as a war.”

Een ‘officiële’ definitie van oorlog bestaat niet. Er zijn er talloze. De historicus William Eckhardt definieert oorlog bijvoorbeeld als ‘elk gewapend conflict, waar een of meer overheden bij betrokken zijn, en dat duizend of meer slachtoffers per jaar kost.’ Maar een ‘conflict’ wat is dat dan weer precies? Op het moment dat ik een willekeurige voorbijganger op straat een klap verkoop is er geen ‘conflict’, maar even later waarschijnlijk wel. Je hebt letterlijke ‘oorlog’ en figuurlijke, maar waar de grens ligt weet niemand.

De geschiedenis kent talloze oorlogen, maar op het moment zelf heetten ze vaak anders. Wat wij nu de ‘Atjeh-oorlog’ noemen, heette toen een reeks ‘strafexpedities’. Wat zich tussen 1946 en 1950 in Indonesië afspeelde was een oorlog, welke definitie je ook hanteert, maar we noemden het een ‘politionele actie’. Alsof we daar bekeuringen gingen uitdelen wegens fietsen zonder licht. Later gingen we de Amerikanen helpen in Korea. Zij noemden het een oorlog, hier heette het een ‘vredesmissie.’ Een profetische innovatie, waarmee we nog school zouden maken. Uruzgan: geen ‘oorlog’ maar een ‘opbouwmissie’.

Om met Fawlty Towers te spreken: don’t mention the war! Maar het omgekeerde komt ook voor. Ronald Reagan verklaarde de ‘oorlog’ aan drugs en George Bush noemde de strijd tegen het internationale terrorisme ‘the war on terror’, terwijl het formeel noch materieel aan die definitie voldeed. Maar oorlogspresidenten zijn populair en een staat van ‘oorlog’ legitimeert maatregelen waar je in vredestijd niet mee aan hoeft te komen.

De Democraten waren ongelukkig met de term war on terror en toen Obama het Witte Huis betrok werd het project direct omgedoopt in ‘overseas contingency operation’, ‘overzeese beheersingsoperatie’. In Korea, en later in Vietnam, leerden de Amerikanen dat niet elke oorlog voor de VS een walkover was, en dat een verloren oorlog heel iets anders is dan een gewonnen.

Ook medeplichtigheid ligt gevoelig. Hoe sterker de internationale gemeenschap bij een gewapend conflict betrokken is, hoe groter het taboe om het een ‘oorlog’ te noemen. Zo ontstond het meest perverse eufemisme voor oorlog dat het politieke woordenboek kent: ‘vredesproces’. Er is geen vrede, nee, wij bevinden ons in het voorstadium van de vrede. Oorlog geframed als het naderbij brengen van vrede. Fighting for peace is like fucking for virginity, luidt een pacifistisch aforisme uit de jaren zestig. Het ‘vredesproces’ is net zoiets.

„Kind, waarom huil je?” – „Ik heb heel mijn familie verloren in het vredesproces.” Maar toen Obama een paar maanden geleden de eliminatie van Osama Bin Laden bekendmaakte en terugblikte op de tien jaar die eraan voorafgingen, zei hij: „We went to war against Al-Qaeda”. Toen was zijn overzeese beheersingsoperatie ineens weer een ‘oorlog’. Ook toen hij onlangs de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan aankondigde (de ‘drawdown’) sprak hij herhaaldelijk van ‘oorlog’.

„By the time I took office, the war in Afganistan was in its seventh year…”

Dat is het nadeel van al die eufemismen: een beheersingsoperatie een opbouwmissie of een vredesproces kun je niet winnen. Een oorlog wel. Als je de overwinning wilt uitroepen, moet je wel een oorlog hebben. En hopla, daar is hij.

Pas als Gaddafi verdreven is, onze jongens en meisjes weer veilig thuis zijn en het moment daar is om daarvoor de credit op te eisen, kan ons kinetische militaire optreden in Libië alsnog de naam ‘oorlog’ krijgen. Al was het maar ter wille van de gesneuvelden en hun nabestaanden, want áls je je man, vader of zoon dan moet verliezen, dan liever in een echte oorlog dan in een armetierig eufemisme. Misschien moeten we het begrip oorlog voortaan als volgt definiëren: ‘Elk gewapend conflict, waar een of meer overheden bij betrokken zijn, dat duizend of meer slachtoffers per jaar kost, en dat jij gewonnen hebt.’

Jan Kuitenbrouwer is journalist en auteur van onder andere. ‘De woorden van Wilders en hoe ze werken’.