Schrijverskramp!

Over zes weken bezoeken 20 Nederlandse schrijvers China. Wat mogen en wat moeten ze daar zeggen?Edzard Mik bezocht alvast een kamp van de Chinese schrijversbond: ‘Ineens rollen de mensenrechten mijn mond uit.’

Fabrieken en kantoorgebouwen glijden langs, clusters appartementgebouwen, verloren parken en groenstroken, alles nog in ontwikkeling, met het weidse gebaar van de visionaire planner uitgestrooid over rietlanden die zonder einde lijken en in heiigheid verdwijnen. Zoveel ondernemingszin, met man en macht zal de mens ook in dit moeras zich een thuis proberen te scheppen.

We hebben er al dagen excursie op zitten en we zijn sprakeloos. Glazig staren de Chinezen voor zich uit, de Rus en de Zweed, de Estse en de Duitse. Het enige geluid is het smoezen van een schrijver uit Peking die voor mij zit, en van de Chinees-Amerikaanse Julia. Haar buurman is bezorgd, begrijp ik als ze zich naar mij toe draait: of ik me misschien ongemakkelijk voel met het verzoek om als dank voor de gastvrijheid van de stad Tianjin iets terug te doen en een artikel te schrijven over de ontwikkeling van Binhai New Area.

Van een verzoek om ‘iets terug te doen’ weet ik niets. Maar verrast ben ik ook weer niet. Vlak voor vertrek naar het in juni door de Chinese Schrijversassociatie georganiseerde schrijverskamp in de Chinese stad Tianjin kreeg ik het met excursies overladen programma – naar scheepswerven en fabrieken, naar musea met houtsnijwerk en kanonnen, naar exposities over de eco-city en de stedenbouwkundige exploitatie van Binhai New Area.

Dit ging wel wat verder dan een gedachte- uitwisseling met Chinese schrijvers, dit was een duizelingwekkende terugkeer in de tijd en deed denken aan expedities die door schrijvers uit de Sovjet-Unie werden ondernomen naar olieraffinaderijen en kolchozen, om in hun reportages vervolgens de loftrompet te steken over het communisme en zijn stralende held, de arbeider. China mocht zich dan overgeleverd hebben aan de koorts van een kapitalistische inhaalslag, het had er alle schijn van dat het schrijverskamp op ouderwets communistische leest was geschoeid.

Ja, ongemakkelijk voel ik me wel, zeg ik na enig nadenken tegen de schrijfster die van haar boek Een Chinese in Manhattan in China anderhalf miljoen exemplaren verkocht. „Maar geef me even tijd, wie weet slaag ik er toch in met een interessante gedachte te komen”, voeg ik er beleefdheidshalve aan toe.

Voor de Chinese schrijvers is er geen vuiltje aan de lucht, hun bijdrage zullen ze voetstoots leveren. Maar bij het diner in het hotel (een gouden kooi in the middle of nowhere, met uitzicht op een moddermeer en bouwputten en hijskranen in de verte) blijkt dat alle buitenlandse schrijvers met het verzoek in hun maag zitten. We hebben ook nog te horen gekregen dat ons honorarium door de autoriteiten verdubbeld zal worden, mochten we ons artikel in eigen land gepubliceerd krijgen. „Ik ben een dichter, ik kan alleen dichten als ik geïnspireerd ben,” zegt de Zweed verontwaardigd. „Ik schrijf vanuit mijn hart, ik ben niet te koop,” briest de Duitse. „Ik ben geen journalist, ik ben een schrijfster,” piept de Estse. „Misschien ga ik toch iets schrijven, maar natuurlijk wel oprecht,” zeg ik.

Het verzoek heeft ons in de hoek gedreven; we voelen ons gedwongen elkaar van onze heilige missie te overtuigen, van onze gewijde onafhankelijkheid, van onze glanzende oprechtheid. Alleen de Rus blijft kalm en glimlacht melancholiek. Hij is begin zestig en kent het klappen van de zweep. We zijn ook een wonderlijk stel; dat we hier zijn samengebracht is even onbegrijpelijk als het leven zelf. De Duitse schreef één boek met herinneringen aan haar vorige levens, de Zweed herhaalt elke dag dat hij geen ambassadeur van Zweden is maar ambassadeur van zichzelf, de Estse is even spraakzaam als de bossen in haar land en de Rus lijkt met zijn grijze baard op Tolstoj en koestert zich met milde ironie in de propagandacarrousel .

Zoals vaker dezer dagen vraag ik me af waarom ik hier ben en wat de Chinese schrijversassociatie en de autoriteiten van Tianjin van de buitenlandse schrijvers verwachten. Haast ongemerkt, met charme en gastvrijheid, worden we ingezwachteld en het systeem ingetrokken. Een buitenstaanderperspectief is geen optie, er is alleen het perspectief van binnenuit, vanuit een collectiviteit die pal staat voor de vooruitgang van de Chinese staat.

Dat je je buiten de staat zou kunnen ophouden en je tegenover de staat kunt opstellen of je tegen inmenging van de staat wilt beschermen, is voor hen ondenkbaar. Van mensenrechten begrijpen ze daarom niet zo veel. Die zijn er ter bescherming van de burger tegen de overheid, een oppositie die voor de Chinezen niet aan de orde is. Het is niet anders, het is een traditie die millennia teruggaat en wortelt in het confucianisme; dat verander je niet zomaar als westers schrijver.

Maar zouden ze niet begrijpen dat wij heel anders over de vrijheid van meningsuiting en de positie van de schrijver denken? Zouden ze zo naïef zijn dat ze werkelijk in het welslagen van hun propagandaoffensief geloven, en dat wij, vijf volstrekt willekeurig bijeengeveegde schrijvers, daartoe het geschikte instrument zouden kunnen zijn?

Al enige tijd zoekt de Chinese Schrijversassociatie toenadering tot het buitenland. Ook Nederland speelt daarin een rol, de contacten met het Letterenfonds zijn intensief en als climax in de literaire betrekkingen tussen beide landen mag gelden dat Nederland in augustus gastland is op de Internationale Boekenbeurs van Peking (zie inzet). Zonder problemen gaat dat niet; vanwege de toegenomen repressie van schrijvers, journalisten en kunstenaars in China vroegen de twintig uit te zenden schrijvers zich enkele weken geleden verontrust af of ze vrijuit in Peking zouden kunnen spreken.

Tijdens het ontbijt leg ik hun zorg aan Liu voor, een vertaler Russisch die een hoge functie in de Schrijversassociatie heeft; ik vertel hem dat ze er prijs op stellen te zeggen wat ze denken en als het even kan China ook nog op weg willen helpen met eerbiediging van de mensenrechten, zoals ook onze minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Verhagen. „Ze hoeven zich geen zorgen te maken,” antwoordt hij, „ze kunnen over alles spreken maar alleen van persoon tot persoon, niet tegenover een publiek.”

Omdat we het toch al over vrijheden hebben vraag ik hem naar de vrijheid die Chinese schrijvers genieten; Liu zegt dat er nog nooit een schrijver is geweest die vanwege wat hij geschreven heeft gearresteerd is, wel wegens spionage, en dat de situatie voor schrijvers in de afgelopen twintig jaar nog nooit zo goed is geweest.

Uiteindelijk rollen de mensenrechten mijn mond uit voor ik er erg in heb. Waar moet je als Nederlander ook anders over praten, mensenrechten zijn het enige waarmee je jezelf een positie kunt geven in dit grote, onbevattelijke land, al weet ik ook niet of Liu iets aan de eerbiediging ervan kan doen en of het dus eigenlijk schaamteloos is hem op de feilen van de Chinese staat aan te spreken. „Wij interpreteren de mensenrechten anders dan het Westen”, zegt hij zonder de geringste aarzeling. „Voor ons is het belangrijkste mensenrecht dat er voor iedereen eten en huisvesting is.”

Tijdens lunches en diners vis ik naar wat de Chinese schrijvers werkelijk denken. Dat valt niet mee, de vertaler is gemelijk en depressief; ik ben aangewezen op de assistentie van twee Chinese vrouwen die in Amerika wonen. „Schrijvers moeten een positieve bijdrage schrijven aan de samenleving”, en: „Dit is China, je kunt niet alles schrijven wat je wilt,” krijg ik telkens te horen, maar de Chinezen lijken het gewend, repressie is een bestendige eigenschap van hun habitat, ik heb niet de indruk dat ze er erg mee zitten.

Grotere zorg betreft de commercialisering – net als in de westerse wereld leidt de commercialisering ook in China tot een verschraling van het aanbod en een achteruitgang in literaire kwaliteit. Kijk nou, ook in de letteren brengt commercie de volkeren bijeen. En ik moet onwillekeurig denken aan de duizenden en duizenden containers die ik in de haven heb gezien, volgestouwd met kleren, elektronica en speelgoed, wachtend op transport over de wereldzeeën, om ons via al die eendere spullen aaneen te smeden.

De laatste dag is de dag van de waarheid: als we ons stuk over Binhai New Area voorlezen, zal blijken hoe ieder zijn of haar positie als schrijver opvat. De meeste Chinezen roemen de adembenemende ontwikkelingen in Binhai New Area, zoveel omvangrijker dan Pudong in Shanghai, maar waarschuwen voor verlies aan spiritualiteit en het klakkeloos overnemen van het Amerikaanse consumptiemodel; een van hen rept van de hetze tegen China, het buitenland staat klaar om haar land andermaal een loer te draaien; en de Chinees-Canadese schrijfster Yen Li neemt geen blad voor de mond en noemt corruptie China’s grootste vloek en zegt dat het een gotspe is dat schrijvers hun boeken alleen gepubliceerd krijgen als ze uitgevers uit eten nemen en dat ze juryleden moeten omkopen om een prijs te krijgen.

Ook wij, buitenlanders, dragen onze raadgevingen aan. De Duitse schrijfster is bezorgd over het materialisme en wat er ná het vijfjarenplan met het milieu zal gebeuren, maar zegt dat ze buiten, aan het meer, heeft gevoeld dat de aarde in vrede is en instemt met de ontwikkelingen. Theatraal, met een meebewegen van zijn hele gezicht, bevestigt de Zweed nog eens dat hij alleen ambassadeur van zichzelf is, niet van Zweden, en verzoekt in één adem door om ondertekening van een petitie tegen een afgekondigde bezuiniging die Zweedse schrijvers zal treffen; misschien niet de eerste zorg van Chinese schrijvers, het honorarium van Zweedse schrijvers, maar iedereen tekent, behalve het kader.

Het hele kamp lijkt op een misverstand gebaseerd. Nog steeds weet ik niet waarom ik er ben, maar ik ben gastvrij onthaald en heb vrienden gemaakt en wil graag geloven dat het allemaal onhandigheid is, een atavistische kramp van de Chinese Schrijversassociatie, die geconfronteerd met haar door internet en commercie afkalvende positie, als vanzelf terugvalt op een oude gewoonte; ik zal daarom mijn steentje bijdragen, met pathos, anders komt de boodschap vast niet over.

Politici en schrijvers hebben ieder hun onderscheiden taak, zeg ik; laat politici politiek bedrijven en schrijvers schrijven en afdalen in onze betrekkingen en in onze geest, om daar vrijelijk, zonder inmenging, te onderzoeken wie we zijn. Voor wie moeite heeft dat te begrijpen, stel ik voor ’s nachts het hotel te verlaten en naar het meer te lopen, als wolken de maan breken en kikkers hun commentaar spuien en eenden lachen en de wilgen fluisteren en het water donker glimt en zijn diepte verbergt en alleen, vervormd, de schijnwerpers weerspiegelt van vage, dreigende vormen die zich overdag zo overtuigend als bouwputten presenteerden.

Alle pogingen om te bouwen en produceren, reduceert de nacht tot een vergeefse poging om een wereld te bewonen die ons vreemd zal blijven, een wereld waar we ons nooit thuis zullen voelen, zoals de nacht ons er ook aan herinnert dat we altijd vreemd aan onszelf zullen blijven. Dat is waar de politicus en beleidsmaker liever van wegkijkt, omdat het getuigt van de beperktheid van zijn macht; dat is het donkere, nog ongevormde gebied waaraan gedichten en romans ontspruiten, het gebied dat de dichter en schrijver toebehoort.

De meest kritische passage van mijn toespraak wordt door de tolk tot één zin teruggebracht. Maar als ik uitgesproken ben, wordt er tot mijn verrassing toch enthousiast geklapt, naar ik aanneem omdat we elkaar in de nacht nog wel weten te vinden.

Edzard Mik (1960) is de auteur van zeven, waaronder Goede tijden (2009) .