Obers

De echte, klassieke oudere obers zijn er niet meer. Obers, die niet alleen de bestelling brachten maar ook waakten over het welzijn van hun klanten. Ik denk nog altijd met weemoed aan een paar exemplaren van dat uitgestorven ras.

Zoals Landman, de ober van café Scheltema. We zaten eens met een gezelschap joelerig bijeen zoals dat in de jaren zestig bijna dagelijks voorkwam. En ik, verhit door de drank, begon in het wilde weg te bestellen door met mijn vinger in de lucht een cirkel te beschrijven om aan te geven dat ik een rondje gaf. Landman greep discreet in en drukte mij besmuikt een briefje in de hand, waarop deze tekst: „Wat deeze heeren aan de andere tafel eeten en drinken is dat ook voor uw rekening?”

De lieve man maakte zich zorgen over mijn portemonnee. De oude spelling in zijn geschrift deed mij deugd en ik heb het papiertje bewaard. Later heeft Hans Koetsier het laten inlijsten en het heeft jaren boven mijn werktafel gehangen.

En dan was er Frans, de ober van de Britannique in Maastricht, die, als wij beverig aan het ontbijt zaten na een wilde carnavalsnacht, ons slechts fluisterend benaderde. „Thee? Koffie? Zachtgekookt eitje?” En ook verder gedroeg hij zich als een ziekenbroeder die zijn patiënten in de watten legt.

Maar de mooiste herinnering bewaar ik aan Adri, de ober van het Strandhotel in Vlissingen, waar wij vlak na de oorlog de vakanties doorbrachten. Het was een klein, aapachtig heertje, dat als hij de soep ronddeelde bij ieder bord dat hij neerzette zachtjes „sssst” zei. Wij kinderen, die aan tafel het hoogste woord hadden, zwegen dan bedremmeld. Pas veel later heb ik begrepen dat hij ons niet tot stilte maande, maar gewoon „alstublieft” zei. Alleen was dat woord in de loop der tijden uitgesleten van „alssstublieft” tot „sssssstublief” om ten slotte te eindigen in dat ene woordje „sssst”.