Noor

Het is eigenlijk een dag te laat. Gisteren, op de nationale feestdag, had er een Fransman moeten winnen. Maar het publiek bij de finish, dat zich door de reclamekaravaan laat versieren met gele petjes, oranje pompons en blauwe vaantjes, maalt daar nu niet om. Quinze juliet, bijna net zo mooi. Er schalt een opgewonden stem uit de speaker van Lourdes. Het bedevaartsoord gaat straks een koning onthalen.

Jérémy Roy schuift heen en weer op zijn zadel, gaat nog eens staan. Hij lijkt niet te lijden op weg naar zijn eerste Touroverwinning. De twintig seconden die achter hem liggen, met aan het staartje Thor Hushovd en David Moncoutié, worden niet minder. Hij zet aan. Nog vier kilometer.

Het publiek moet op de tenen gaan staan om het televisiescherm bij de finish te kunnen zien. De twee mannen in beeld lijken op te geven. De een schudt zijn hoofd, de ander pakt zijn bidon en zet hem aan zijn mond. De jacht lijkt gestaakt, de prooi te ontkomen. De rondemissen oefenen alvast op de naam van de man die ze straks moeten kussen. Jérémy Roy. Jérémy Roy.

Maar er komt een Noor als eerste de bocht om.