In het zog van een badeend

In een serie over bijzondere reisboeken deze week een multidimensionale queeste met als inzet een speelgoedje.

Donovan Hohn: Moby Duck. The True Story of 28.800 Bath Toys Lost at Sea. Viking, 402 blz. € 27, 99

Noem hem Ishmael. Want hij wil dat echt heel erg graag. De journalist Donovan Hohn joeg drie jaar op het verhaal van een Chinese container gevuld met badeendjes, die in 1992 van een containerschip viel. Hohn was een leraar Engels in Manhattan die zijn leerlingen onderwees over, onder meer, Herman Melvilles Moby-Dick. Tot hij op een dag een opstel van een leerling onder ogen kreeg over de gebeurtenis met de badeendjes. De badeend raakt hem. Net als Ishmael uit Moby Dick (ook een leraar) geeft Hohn zijn burgerbestaan eraan en kiest het sop. ‘De oceaan en de wind,’ schrijft hij, ‘zijn uit ons systeem. Onze voorouders dachten in windsnelheden en knopen. Wij in turbulentie.’

Volg met Hohn het spoor van de badeend, die om te beginnen geen badeend is. 2.700 rode bevers, een gelijk aantal blauwe schildpadden, groene kikkers en gele eendjes betrof het, gevieren verpakt in een plastic doosje, die weer in kartonnen dozen, en die weer in een container. Het schip de Ever Laurel, de containers zes hoog geladen, komt in januari 1992 in zwaar weer terecht op weg van Hong Kong naar Tacoma bij Seattle in de VS, midden op het zogeheten ‘Kerkhof van de Pacific’. Het schip zwiept ‘als een speeltje in een jacuzzi’, de containers gaan schuiven en de rest is geschiedenis.

Natuurlijk spreekt de ‘Armada van badeendjes’ die de wereldzeeën bevaart zeer tot de verbeelding. Geen wonder dus dat tenminste drie literaire auteurs (zie inzet) het motief gebruikten voor hun boeken, kort nadat kranten er over berichtten. Honderden speeltjes, door een merkteken te herleiden tot die ene lading, spoelden tot dertien jaar later aan aan de Amerikaanse westkust. Volgens onduidelijk bewijs zijn ze gevonden tot in Maine aan de Atlantische kust, wat betekent dat een badeendje in zijn eentje (vergeeft u me), door de Noordwest Passage moet zijn gedobberd.

Kan dit werkelijk waar zijn? Hohn besluit de zaak tot op de bodem uit te zoeken, volgens het stramien van veel hedendaagse non-fictie – verzin een persoonlijke zoektocht en doe verslag van al wat je onderweg tegenkomt. Behalve een reisverhaal naar plekken waar geen toerist zich ooit zal wagen – containerschepen op volle zee in het holst van de winter, industriële havens – is dit dus ook een excursie naar de kringen van strandjutters, oceanografen, maritiem-milieukundigen, paleochemici, containerkapiteins en mensen met andere zeewaardige beroepen.

De speurtocht begint bij de lokale krant de Sitka Sentinel, die in 1993 een oproep deed de vondst van badbeesten te melden (het verhaal werd opgepikt door persbureau AP, waarna de eendjes in een stroomversnelling raakten en aanspoelden bij onder meer The Guardian en The New York Times), en komt al snel aan bij oceanograaf Curtis Ebbesmeyer, die aangespoelde spullen gebruikt om de stromingen van de oceaan mee te traceren. Hohn bezoekt een strandjuttersconferentie en gaat mee met strandopruimers langs de Westkust van de VS. Op Gore Point, een landtong in Alaska die tot natuurreservaat is bestempeld, ligt het strand dankzij de stroming bezaaid met aangespoelde rotzooi, waaronder magnetrons, tv-schermen en autowielen. De grond kraakt er onder Hohns voeten; die blijkt voor een groot deel uit polyethyleen waterflesjes te bestaan, de meeste met Chinese opdruk, begraven onder een dunne laag mos. Zeevervuiling is in het westen de praktijk, maar tenminste nog wel strafbaar. In veel Aziatische landen is de oceaan nog zoiets als een alomtegenwoordige vuilnisbak die je nooit hoeft te legen.

Hohn bezoekt Hawaii en de Great Pacific Garbage Patch, vaart door de Beringstraat en de Noordwest Passage, komt vast te zitten in ijs, ziet ijsberen op de schotsen liggen. Aan boord van de Louis, de Knorr en de Ottawa ontmoet hij tal van Ahabs, Queequegs en Starbucks – figuren die net zo schilderachtig zijn als deze bemanningsleden van Melvilles Pequod. We maken kennis met een blinde oceanografe, een kapitein die optreedt als ‘de duivel in een jumpsuit’ en een transgender maritiem advocate.

De lading informatie en betekenis die Hohn ondertussen op de fragiele schoudertjes van de plastic badbeesten weet te laden, is al met al verbluffend. Moby Duck is een tocht naar de kleinste moleculen van polymeren, naar de geschiedenis van schipbreuken en de iconografie van het eendje als kindervriend. Het bevat stortvloeden aan kennis over zogeheten ‘Monsterwellen’, oceaanonderzoek en klimaatverandering.

Liefst vierhonderd pagina’s schrijft Hohn vol met de onderweg aangeslibde kennis, en natuurlijk zijn al die digressies en metaforen dan weer bedoeld om van Moby Duck de echo te maken van Moby-Dick. Geen jacht op een agressieve witte walvis, maar op een onschuldig knalgeel zwemkuiken, dat in zijn verkruimelende giftige microdeeltjes uiteindelijk veel gevaarlijker blijkt dan welke walvis ook. De 21ste-eeuwse door mensenhand gemaakte bedreiging versus de 19de-eeuwse vrees voor natuurgeweld.

Daarbij is Moby Duck een rite de passage, een éducation sentimentale: doelloos ronddobberende man wordt man op koers, leraar wordt schrijver, nutteloze landrot wordt man die weet wat hij moet doen als hij aan boord de order krijgt: ‘You! In the winch!’

Sommige lezers zullen het relaas van deze zelfbenoemde Ishmael dus zien als een tour de force. Maar voor veel lezers, onder wie deze, wordt de badeend topzwaar en zinkt uiteindelijk jammerlijk onder alle metaforisch gewicht.

Blijf Hohn dus maar gewoon Hohn noemen. Erg kan hij dat onmogelijk vinden. De badeend heeft hem immers, zoals een ander overbekend reismotief wil, de reis gegeven.