Ik word een sekreet als ik honger krijg

Vriend Rutger en ik zaten in een café en bespraken de zojuist verbroken relatie van twee vrienden, die uit elkaar waren gegaan omdat ze te veel ruzie maakten. We waren even stil. Toen zei hij: „Weet je, eigenlijk ontstaat negentig procent van de ruzies gewoon omdat één van de twee honger heeft.”

Dit vond ik een zin om op een tegeltje te zetten. Of misschien om op je tandvlees te tatoeëren, of om felgekleurd en bloemig behangpapier van te laten maken, of wat dan ook de moderne variant van het spreukentegeltje mag zijn. Het was in ieder geval goed gesproken.

Ik word een sekreet als ik honger krijg. Zodra mijn bloedsuikerspiegel begint te dalen, zet bij mij de kribbigheid in. Ik erger me aan alles, kan me absoluut niet meer concentreren en roep alleen nog maar dingen als ‘jezus christus, waarom moet je dan ook zonodig schoenen aan als je naar buiten gaat, ik sta al zeker drie minuten te wachten!’ Zelf heb ik jammer genoeg nooit door dat het op zulke momenten vooral mijn lege maag is die spreekt. Als iemand vervolgens voorzichtig oppert: „Renske? Moet je niet even wat eten?” reageer ik met: „Nee, natuurlijk niet, ik vind het gewoon belachelijk hoe het allemaal gaat. Er wordt echt to-taal niet naar me geluisterd. Even iets anders: heb jij toevallig ook zo’n zin in een falafelschotel?”

Misschien is het wel een goed idee om gedurende een ruzie altijd een moment in te lassen waarop je zegt: „Oké, prima, jij vindt dat ik een autist ben omdat ik elke dag mijn onderbroeken strijk, maar voordat we hierover verder praten, moeten we eerst even deze pizza samen opeten. Ja, ik weet dat het half negen ’s ochtends is. Het moet toch.” Of tijdens een vastgelopen zakendeal, waarbij de betrokkenen al uren in een vurige discussie zijn verwikkeld, een ogenblik stil zijn en vervolgens veelbetekenend een pak havermoutkoekjes naar de ander toeschuiven.

En zelfs als ik eenmaal eten voor mijn neus heb, duurt het nog even. De eerste paar happen blijf ik anderen wantrouwig in de gaten houden, alsof ze stilletjes plannen aan het beramen is mij van mijn eten te beroven.

Dit zijn de momenten waarop je niet moet proberen ook maar een schijfje tomaat van mijn bord te pakken, ook al lach je er luchtig en koket bij. Er is bestek in de buurt. Dingen kunnen uit de hand lopen. Vervolgens voel ik mijn bloedsuikerspiegel weer stijgen, en begin ik langzaam te ontspannen. Totdat ik uiteindelijk voldaan naar achteren leun en met een gelukzalige glimlach zeg: „Ik vind jullie trouwens allemaal zó lief.”

Renske de Greef

Alle columns van Renske de Greef zijn te lezen via nrcnext.nl/renske