'Ik hou van sterke vrouwen'

Dit jaar ontpopte de Limburgse schrijver Benny Lindelauf zich tot de kannibaal van de jeugdboekenwereld door twee grote prijzen te winnen: niet alleen de Woutertje Pieterseprijs, maar ook de Dioraphte Jongerenprijs. Zijn boeken hebben een trager tempo dan jongeren gewend zijn, zegt de schrijver van het algemeen bejubelde De hemel van Heivisj . Het risico van een klein publiek neemt Lindelauf op de koop toe. „Toen ik Heivisj begon te schrijven was het alsof iemand tegen me zei: ga de oceaan op en vang me een vis. En ik ging de oceaan op in een eenvoudig bootje. Alleen ving ik geen vis, maar een octopus met acht armen. Een reuzenoctopus. En iedere keer als ik dacht dat ik een arm binnenboord had, floepte er een andere arm weer uit.”Dit is de tweede aflevering van een serie schrijvers- interviews in de zomer. De eerste, met Arnon Grunberg, is nog te lezen via www.nrcboeken.nl

Benny Lindelauf, katrijn van giel katrijn van giel

Is uw jongste boek, ‘De Hemel van Heivisj’, eigenlijk wel een jeugdboek?

„Het is een crossover, het zit tussen een jeugdboek en een roman voor volwassenen in. Voor mij is het een jeugdboek, omdat het perspectief van het verhaal dat van een meisje tussen de twaalf en zeventien jaar is. Er is geen alwetende verteller, je zit dicht op haar huid. Tegelijkertijd is het geen typische jongerenroman, omdat het stilistisch wat meer vraagt van de lezer. Maar tot mijn plezier heb ik jongeren gesproken die met dat verhaal weglopen.’’

Lezen jongeren het boek anders?

„Het verhaal begint heel rustig, zeker als je het vergelijkt met wat jongeren tegenwoordig lezen. Door het trage tempo kunnen ze afhaken, maar als ze eenmaal in de trein zitten, dan willen ze het ook uitlezen, zeggen ze. Ik heb op geen enkele manier concessies gedaan. Ik wilde het niet op een andere manier vertellen of meer uitleggen. Ik wilde dichtbij de ikfiguur Fing blijven. En Fing weet niet meer dan de lezer. Ze staat blanco in een oorlog waarvan ze in het begin denkt: het gaat wel over.”

Vindt u het jammer dat uw boeken niet bij de literatuur voor volwassenen wordt ingedeeld?

„Dat is iets wat ik me ook heb afgevraagd. Met de uitgeverij heb ik het er wel eens over gehad waar het boek nu thuishoort. Wilde ik het als volwassen roman uitbrengen, dan moest het toch anders, vond de uitgever. En dat wilde ik niet. Nu blijft het risico bestaan dat het publiek klein blijft.”

Hoe gaat het nu met het boek?

„Vijf, zes drukken. Wat zullen dat zijn, tienduizend boeken? Dat is voor een jeugdboek hartstikke mooi. Het is vertaald in het Duits, Frans en Koreaans. De Amerikanen hadden ook interesse, maar daarvoor moest ik een deel van het boek veranderen, het deel waarin Fing haar oog verliest. De brief waarin ik voorstel om een apart naschrift te schrijven is vooralsnog onbeantwoord.”

Het gaat in ‘Heivisj’ om de zusjes Boon: de beschouwelijke Fing, flapuit Muulke en de kwetsbare Jes, die samen met hun oma Mei, broers en vader in het huis Negen Open Armen wonen. Elf jaar bent u met ‘Negen Open Armen’ bezig geweest, zes jaar schaafde u aan het vervolg, ‘Heivisj’. Waarom duurde het zo lang?

„Toen ik Heivisj begon te schrijven was het alsof iemand tegen me zei: ga de oceaan op en vang me een vis. En ik ging de oceaan op in een eenvoudig bootje. Alleen ving ik geen vis, maar een octopus met acht armen. Een reuzenoctopus. En iedere keer als ik dacht dat ik een arm binnenboord had, floepte er weer een andere uit. Dat gevoel had ik de eerste vier jaar van het schrijven.

,,Ik ben een heel langzame schrijver, omdat ik veel weggooi. Ik geloof dat ik wel het vier- of vijfvoudige schrijf van wat uiteindelijk het boek haalt. Ik kom vaak op een punt dat ik het niet meer weet. Dan leg ik het weg, ook om praktische redenen: ik moet geld verdienen. Ik geef les in proza aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, ik schrijf in opdracht, ik schrijf theaterteksten. En ik was net een paar maanden in Suriname om te doceren in het schrijven van jeugdproza.”

Hoe begon u?

„Toen Negen open armen af was in 2004, was het verhaal nog niet klaar. Ik wilde nog vertellen over de linde die met zijn wortels onder het huis doorgroeit en uiteindelijk het leven redt van oma Mei. Ik wist dat ik dan in de oorlog terecht zou komen. En daar was ik eerst helemaal niet blij mee.”

U had weerzin om te schrijven over de oorlog?

„Op mijn veertiende hoorde ik bij maatschappijleer voor het eerst over de jodenvervolging en ik ben sindsdien, zoals iedereen, volgestampt met boeken en verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Ik dacht: wat kan ik daar nou nog over vertellen?”

En?

„Wat werkte was om het verhaal ‘klein’ te maken en het te hebben over de directe consequenties voor het gezin Boon. De gezinsleden zagen de grote lijnen niet, zij vonden bijvoorbeeld de NSB eerst alleen maar een beetje malle politieke beweging, terwijl wij die beweging helemaal niet meer kunnen zien zonder die oorlogslading. Klein maken doe je door persoonlijke verhalen te verzamelen, bijvoorbeeld van mevrouw Vera uit Sittard. Ze was half katholiek en half joods, maar ze werd in de oorlog aangesproken op haar joods zijn.

„Wat weet Fing, vroeg ik me steeds af. Wat weet zij op dit moment van de oorlog? Niet veel, want het besef komt pas vrij laat. Dit betekende dat ik alles wat ik wist van de oorlog uit het verhaal moest halen. De jodenvervolging was in 1938 nog niet begonnen, al wist een enkeling dat het slecht zou aflopen. Judde [joden, MvT] zijn voor haar mislukte katholieken, zo heeft Fing dat gehoord.”

U heeft feitelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van Sittard verwerkt. Hoe voorkwam u dat het nadrukkelijk historisch werd?

„Sommige gebeurtenissen zitten vast aan een datum. Het oppakken van de joden in Sittard – met die dag kun je niet sjoemelen. Ik heb veel gegevens verzameld in een multomap. Daarin staan rode lijnen, die de gebeurtenissen aangeven die zijn opgetekend door Herman Silbernberg, een joodse Sittarder die een soort tekendagboek bijhield dat later is uitgebracht. Aantekeningen in zwarte pen komen uit het boek Sittard in crisis- in oorlogstijd. Daarnaast staan de data die ik zelf heb toegevoegd. Ik weet wanneer de moeder van de meisjes jarig is, ook al dóe ik er niets mee. Ik heb genoteerd hoe koud het is geweest in die periode waarin het boek zich afspeelt, tussen 1938 en 1942. Op die manier krijg ik langzamerhand een besef van wat op dat moment speelt en hoe het doorsijpelt in het persoonlijke leven van het gezin en Fing.”

De familie Boon is losjes gebaseerd op het leven van uw oma en haar zussen. Ik zie op het werkplan dat de moeder erg veel kinderen heeft gekregen voor iemand die maar vijfentwintig jaar is geworden: negen.

„Dat was toen zo, vandaar ook dat ze dood is gegaan.”

Heeft u er bewust voor gekozen om het zo matriarchaal te maken? De mannelijke personages zijn bijna niet uitgewerkt.

„De samenleving in die tijd wordt gedomineerd door mannen maar is ook matriarchaal. De man heeft het oppervlakkig gezien voor het zeggen, terwijl de vrouw gewoon haar zin doet en het gezin bestiert. Ik weet dat nog van mijn oma.”

Bij elke confrontatie tussen man en vrouw, kiest u voor de vrouw.

„Floortje Zwigtman [jeugdboekenschrijfster, auteur van onder meer de trilogie Een groene bloem, MvT] en ik hebben elkaars werk gelezen voordat het uitkwam. Ik voorspelde haar dat men haar zou vragen waarom ze over homoseksuele mannen schrijft. Aan mij vragen ze: waarom schrijf je telkens over vrouwen? Dat is niet bewust gegaan, maar het klopt dat het een vrouwengeschiedenis is. Ik hou van sterke vrouwen, zoals die in het vroege werk van Gabriel García Márquez. Een sterke vrouw beschrijven is voor mij veel spannender dan een man als held.”

Oma Mei is de grote verteller van de dames Boon. Maar zij vertelt alleen wat en wanneer zíj wil. Was dat bij uw oma ook, op wie Fing is gebaseerd?

„Nee, je hoefde bij mijn oma maar ergens over te beginnen en het rolde eruit. Zij en haar zussen waren altijd bij elkaar, ook toen ze getrouwd waren. Vroeger woonden zij met elkaar in dat grote huis, de naamgever van het boek Negen open armen.”

Bestaat het nog?

„Het is een alledaags huis in Sittard, niet zo groot als lezers misschien denken en het heet geen Negen open armen. Ook na hun vertrek uit dat huis zochten de zussen elkaar op. Op een gegeven moment woonde mijn oma in een eenkamerappartement, schuin tegenover mijn studentenhuis. Zus Jes kwam boven haar te wonen, zus Muulke logeerde vaak bij mijn oma. Als ik kwam, was er meestal wel een zus of twee. De gewoonte was dat ik dan bijvoorbeeld vroeg: ‘vertel nog eens van...de rupsen in de boom’. Het ging er de zussen dan vooral om elkaar vliegen af te vangen: wie wist nog het meest van de gebeurtenis?”

Uw oma en haar zussen hadden kennelijk een goed geheugen. U ook, u hebt die verhalen allemaal onthouden.

„Het is niet zo dat die verhalen van mijn oma in het boek staan. Haar verhalen gingen vooral over gekke streken die ze uithaalde. Als getrouwde vrouw van in de dertig smeerde ze de deurklink in met schoensmeer, zodat de vertegenwoordiger erin greep als hij langskwam. Achter die vrolijkheid ging nog een ander verhaal schuil. Hoe geweldig dat huis en het gezin ook waren, alle familieleden zijn uiteindelijk elders in de stad gaan wonen. Hun vader was een man van twaalf ambachten dertien ongelukken die van drinken en gokken hield. Dus toen het huis te koop werd aangeboden was er geen geld.’’

U verhult dat drinken en gokken in uw boek.

„Ik wilde graag een lieve man, geen berekenend type. De echte vader, kon die last van een groot gezin niet aan. En door dat drinken moesten de kinderen lange tijd van het ene huis naar het andere zwerven. Oma Mei zegt aan begin van Heivisj dreigend tegen ‘de Pap’: ‘Dus je biertjes en je gekonkelfoes moeten maar wachten tot de meisjes weer in bed liggen.’ Dat is eigenlijk de enige aanwijzing dat die man gewoon kon gaan pimpelen.”

‘Heivisj’ heeft een open einde en er komt geen vervolg.

„Ik had er gemakkelijk een hoofdstuk aan vast kunnen plakken, maar dat wilde ik niet, dat zijn kunstgrepen om het verhaal rond te maken. In het echte leven wordt ook niet alles afgehecht. Misschien komt er nóg een verhaal over die familie Boon, maar dan moet ik als schrijver ook echt iets te vertellen hebben.”

Waar is het nu tijd voor?

„Ik ben een paar keer in het getijdengebied van Bretagne geweest, waar die zee woest is en waar bij vloed hele stukken open land overlopen. Er was een eilandje dat alleen maar bereikbaar was met eb, met een huis erop, en dat vond ik een intrigerend gegeven. Querido vroeg mij vier jaar geleden een kort verhaal te schrijven. Na zeven pagina’s kwam ik de kamer uit en zei tegen Guido, mijn man: ‘volgens mij heb ik net een heel groot verhaal aangeboord.’ Ik hoorde als het ware een stem van iemand die begon te praten en die was zo krachtig dat ik er alleen maar als een razende Roeland achteraan kon tikken. Bijna als een medium. Ik wist meteen: dit ga ik niet verminken tot een kort verhaal. Dit moet een eigen stem krijgen, een heel boek. Die roman zal waarschijnlijk opnieuw research nodig hebben en het zal min of meer historisch worden.”

En is dat dan toch weer een jongerenroman?

„Het zal weer tegen Heivisj aanschurken, dus er tussenin zitten. Soms denk ik dat het een boek voor volwassenen wordt zodra er expliciete seks in voorkomt. Misschien moet ik er dit keer maar veel seks ingooien.”