Gelukkig ben ik geen dichter

Er heerst in Nederland een dubbelslachtige waardering of benadering van de schrijver. Aan de ene kant lijkt literatuur serieus te worden genomen en krijgt zij, met geprop en geduw, zelfs een hoekzitje op de televisie en in andere ongeschreven media, maar de schrijver als voortbrenger van teksten, van woorden met enige betekenis, blijft voor sommigen wat problematischer.

Degenen die een schrijver als hun schrijvende hand willen behandelen, zijn zo misdadig dat ik er niet al te lang bij wil blijven stilstaan. „Dit is het onderwerp en we zouden het op prijs stellen [wat stellen veel mensen toch heel veel op prijs!, HB] als u uw radicale standpunten hierin verwoordt, zonder al te moeilijke woorden te gebruiken, want onze gemiddelde lezer heeft mavo/havo.” Tegen deze mensen kan ik slechts herhalen wat Mark Twain zei: „Als iemand mij vraagt iets te schrijven, dan doe ik dat. Als iemand mij zegt wat ik moet schrijven, dan raad ik hem aan een schrijfmachine te kopen.”

Mysterieuzer wordt het bij mensen die je een opdracht geven voor een verhandeling of een lezing en hier geen enkele vergoeding tegenover stellen! Het komt, echt waar, heel vaak voor. „We dachten [wat wordt er afgedacht in deze kringen en altijd in de verleden tijd – alsof men er baadt in nostalgie, HB] aan een stuk van 1.500 woorden” – dat zijn vijftienhonderd woorden – „en helaas hebben we geen geld om u te betalen”. Helaas. Veel spijt spreekt er hier niet uit, toch? Het is niet dat ze door het stof zijn gegaan op zoek naar nog geldige valuta, in lange rijen voor onverbiddelijke loketten hebben staan wachten tot ze water in de knieën kregen, van alle instanties de deurhengsels hebben losgeslagen om te smeken om geld en om te dreigen om een klein honorariumpje voor de uitverkoren schrijver die voor hen een stuk van vijftienhonderd woorden moet schrijven, voor hun blad. Zelf hebben zij geen geld en ik vraag me toch af waar al deze tijdschriften die drukkerij kunnen vinden die hún schrijfsels gratis drukt.

En als het stuk nou eens moest handelen over het uitzicht vanaf je bureau of iets dergelijks, iets lichtzinnigs, een niemendalletje, maar nee hoor: dit moet gaan over „de verschuivingen binnen de migrantenliteratuur” (toe maar) of (deze kwam van de JOVD): „de wijze waarop tegen het westerse Europa wordt aangekeken vanuit (Marokkaans-)Arabisch perspectief.” En niet alleen was dit onbetaald, van mij werd ook nog eens verwacht de eigen reis heen en weer naar Groningen te bekostigen en waarschijnlijk ook een overnachting, al zijn de kroegen, is mij wel eens verteld, in Groningen de hele nacht geopend. Wel zou ik beloond worden met een diner. Zover was men nog wel gekomen, dat een schrijver ook dient te eten, maar ik vermoed zoals men een zwerver met tegenzin een bord soep geeft – hij had toch ook werk kunnen zoeken? En vinden.

Ik klaag niet. Ik mopper niet. Toen ik met het schrijven in mijn levensonderhoud wilde voorzien, voorzag ik problemen, maar niet zulke problemen. Is het nu dat er mensen zijn die eigenlijk inzien dat het moeilijk is om als schrijver (als je geen bestsellerauteur bent) in leven te blijven (constant dronken zijn gaat vanzelf) en je daarin een handje willen helpen? Of denken mensen werkelijk dat schrijvers leven bij gratie van artistieke voldoening alleen? Een zeer calvinistische houding. Geerten Gossaert verwoordt dat mooi in een van zijn gedichten, als „zelfvoldaanheid” of iets dergelijks. Of denkt men dat schrijvers zichzelf zo graag horen voorlezen dat ze dit zelfs voor louw loene doen?

Laat mij dit misverstand recht zetten. Schrijvers horen zichzelf graag voorlezen tegen vergoeding. Zo’n Dichter des Vaderlands doet het dan wel voor een bos bloemen, of voor helemaal niets, want hij is verliefd op zijn fiepstem, maar hij bezorgt andere schrijvers een slechte naam. Gelukkig ben ik geen dichter. En wat is er mooier bij artistieke bevrediging dan een gouden munt in de handpalm? Het is als de stevige kus waarmee in postcoïtale gekleedheid prille minnaars even afscheid nemen.

Het woord is gevallen, ik kan er niet meer omheen. Dit is mijn laatste column. Deze krant en ik gingen een zomerliaison aan en deze (de liaison, niet de zomer, officieel gesproken dan) is tot een einde gekomen. Ik had graag vaarwel gezegd tegen de lezers die mijn stukken met enig genoegen lazen terwijl de zon trompetterde en bazuinde door de ether, maar helaas jaagt de regen voort, opzij geduwd door de wind en de bomen schudden hun bladeren, maar hun kruin wordt maar niet droog. Ik wilde Mahler vermijden en Richard Strauss hebben, maar Mahler wordt het, alleen met minder kleur.

We komen elkaar nog wel eens tegen, lezer; u zult mij dan vinden in een boekhandel, tussen twee kaften, waartussen het papier als de ruimte is die vrijkomt als een vampier het deksel van zijn doodskist optilt. Er zal enkel inkt gevloeid hebben. Dus, vale!