En de eend pruttelde maar voort

Maarten van Buuren: Iris. De Arbeiderspers, 230 blz. € 18,95.

De hoofdpersoon van Iris, de eerste roman van Maarten van Buuren, is literatuurwetenschapper, net als de schrijver zelf. Hij doet onderzoek naar metaforenreeksen, zoals naar de 33.622 metaforen in het werk van Robert Musil. Hij waagt zich zelf ook wel eens aan beeldspraak. Zo vergelijkt hij zichzelf met een slecht lopende auto. ‘Het leek of ik vergeten was het oliepeil van mijn 2CV te controleren’, zo heet het. ‘Ik kwam aan de kant van de weg te staan. Total loss.’

Alledaagse zaken, controleerbare feiten, heldere verklaringen: dat is het materiaal dat Van Buuren tot dusver verwerkt in zijn boeken. In Kikker gaat fietsen! (2005) deed hij indringend verslag van de depressie waaraan hij rond zijn vijftigste ten prooi viel. In Hoofd van mijn dromen (2009) voerde hij ons, aan de hand van mooie verhalen over Maassluise middenstanders, terug naar de stad van zijn jeugd. En in Iris, waarin zowel Maassluis als de depressie terugkeren, reconstrueert hij een liefdesgeschiedenis die zich in de jaren tachtig afspeelde, in een universiteitsstad, Waalstad genoemd. Dat moet wel Nijmegen zijn.

Het verhaal begint ermee dat Bas, een jonge promovendus, zijn collega Iris leert kennen op de 21 verdiepingen tellende ‘talenflat’. En het eindigt ermee dat hij, vele jaren na de beëindiging van hun relatie, opa wordt van een kleindochter. De liefdesverhouding met Iris speelt zich af ten tijde van de grote krakersrellen en de demonstraties tegen kruisraketten. Het is geen exclusieve verhouding, want tegelijk heeft hij ook iets met Margriet in Amsterdam en met Sabina in Groningen. Iris verveelt zich evenmin. Zij woont samen met Jos en experimenteert tussendoor met anderen.

Van Buuren beschrijft een losgeslagen tijdperk. Aan de universiteit rommelde iedereen met iedereen. Hoogleraren gaven baantjes weg. Krakers kraakten geen rijtjeswoningen, maar herenhuizen en buitenverblijven. ‘Niets was onmogelijk in die tijd.’ Zo probeert ook Bas zich omhoog te werken. Het enige wat in zijn leven ontbreekt, is zoiets als geluk, voldoening of zingeving. ‘Mijn leven was een ratjetoe zonder enige samenhang’, laat Van Buuren zijn held verzuchten. Wat hij mist is een leidraad, een kompas, maar je zou het ook hartstocht kunnen noemen. Zijn levensverhaal begint ergens en het houdt ook zomaar ergens weer op, zonder dat we hoogte hebben kunnen krijgen van zijn drijfveren, of zelfs maar van zijn gevoelens voor Iris.

Zo is het ook met het boek als geheel. Gebeurtenissen en anekdotes rijgen zich aaneen. Soms levendig, soms interessant, soms geestig. Allerlei overwegingen komen langs, over het universitaire, het politieke en het sociale leven in de jaren tachtig en negentig. Maar veel samenhang valt er niet te ontdekken. Van Buuren schudde zo te zien een doos met herinneringen leeg in Iris, in de hoop dat er vanzelf wel iets zou ontstaan: een kern, een richting, ware liefde misschien. Wat we voorgeschoteld krijgen is een ratjetoe van feiten en gevoelens, dat zich nog het best laat vangen in het beeld van de moeizaam voortpruttelende lelijke eend waarmee de metaforenonderzoeker zichzelf vergeleek: hij brengt ons wel van a naar b, maar elke vaart of reislust ontbreekt.