Een bitterzoet sprookje

Gregor von Rezzori: Een hermelijn in Tsjernopol. Vert. Kris Lauwerys. Atlas, 405 blz. € 29,95

‘De personages en gebeurtenissen in dit boek zijn, net als het personage van de verteller, geheel ontsproten aan de verbeelding van de auteur,’ schrijft Gregor von Rezzori (1914-1998) als opmaat tot zijn boek Een hermelijn in Tsjernopol. ‘Ook de stad Tsjernopol zelf kon niet onwerkelijker zijn.’ Zo’n voorbehoud maakt een schrijver in deze ironische tijden niet straffeloos. Ongemerkt is die waarschuwing het omgekeerde gaan betekenen en het signaal geworden van een boek met heel wat autobiografisch materiaal.

Veel moeite om dat te verbergen doet Rezzori niet. Een hermelijn in Tsjernopol is geschreven als een aaneenschakeling van jeugdherinneringen, zoals dat ook al het geval was in zijn vorig jaar vertaalde boek Bloemen in de sneeuw (met als ondertitel Portretstudies voor een autobiografie). In wat mindere mate geldt dat ook voor de al eerder vertaalde, losvast doorgecomponeerde verhalenbundel Memoires van een antisemiet die hem terecht zijn faam als chroniqueur van een voorgoed vergane wereld opleverde.

Dat was de wereld van de Boekovina: de inmiddels tussen Roemenië en Oekraïne opgedeelde landstreek waar Rezzori opgroeide. In zijn kindertijd vlak na de Eerste Wereldoorlog had niemand nog werkelijk in de gaten dat de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie niet meer bestond. In arren moede hield de samenleving nog geruime tijd vast aan de oude gewoonten en verhoudingen. Die operette-achtige werkelijkheid zou ruw zou worden verstoord door de gebeurtenissen van de jaren dertig, die zich al begonnen aan te kondigen, maar die niemand zich nog kon voorstellen.

In geen van zijn drie herinneringsboeken komt Rezzori de roman meer nabij dan in Een hermelijn in Tsjernopol. De jeugdherinneringen worden stevig bijeengehouden door één hoofdfiguur, die op de jonge verteller een diepe indruk maakt. Dat is de huzaar Nikolaus Tildy, die in zijn gestalte alle luister én dwaasheid van de operette-wereld van Gräfin Mariza verenigt. Hij is oogverblindend in zijn militaire verschijning, ongenaakbaar in zijn standsbesef en volstrekt anachronistisch in zijn eergevoel.

Dat laatste leidt tot zijn ondergang, die door Rezzori eerder op een licht melancholische dan op een tragische manier beschreven wordt. Voor zware dramatiek is zijn pen te lichtvoetig en ook nog te zeer geworteld in de lichtzinnige wereld van de Belle époque. Alles in Een hermelijn in Tsjernopol ademt de zoete nostalgie naar een wereld waarvan zelfs de talrijke schaduwkanten nog een zekere charme lijken te hebben. De armoede kon peilloos diep zijn en de spanningen binnen de etnische smeltkroes van de Boekovina dagelijks voelbaar, maar werkelijk ernstig werd het nog niet.

Het is moeilijk je aan de betoverende pen van Rezzori te onttrekken. Misschien nog wel meer dan in zijn eerder vertaalde boeken weet hij de wereld van de Boekovina en Tsjernopol (waarin niettegenstaande Rezzori’s waarschuwing gemakkelijk de hoofdstad Czernowitz te herkennen valt) een sprookjesachtige exotiek mee te geven waarin je graag geleefd zou hebben.

Niet dat de sociale codes er niet knellend waren. Wie zich – zoals de huzaar Tildy – eenmaal onmogelijk had gemaakt, bevond zich in een maatschappelijk vagevuur. Hij werd iemand die, zoals een van de hupsere dames uit de stad het uitdrukt, ‘ik niet eens in mijn bed, laat staan in mijn salon zou hebben ontvangen.’

Hoe streng de regels van Rezzori’s wereld ook mochten zijn, als lezer ga je moeiteloos overstag voor de betoverende frivoliteit van zo’n opmerking, ondenkbaar geworden in de kwezeligheid van wat vandaag doorgaat voor correct gedrag. Zoals je onwillekeurig ook in de lach schiet bij de geestige onschuld van de joodse klasgenoot van de verteller die – wanneer hij ziet hoe zijn vaders winkel bij een opstootje geplunderd wordt – uitroept: ‘Kijk toch wat een rotzakken! Waarom wij altijd? Zijn er geen andere joden?’

Misschien is het juist die onderkoelde naïviteit die Rezzori’s proza zo onweerstaanbaar maakt. Elegant en trefzeker tovert hij een wereld voor ogen die je onvermijdelijk voor zich inneemt – terwijl de opkomende bedenkingen net voldoende afstand en speelruimte scheppen om je als lezer niet misleid te voelen. Daarin ligt het meesterschap van Rezzori, die als schrijver een even grote charmeur is als hij als persoon geweest moet zijn. Na een lang en avontuurlijk leven eindigde hij als scenarioschrijver en beroemde lady’s man in Hollywood.

Niets Amerikaans lijkt er te schuilen in deze schildering van de meest verre zuidoostelijke uithoek van het Oude Europa. En toch is Rezzori’s wereld op een bepaalde manier filmisch genoeg om de waarschuwing in het begin van het boek te rechtvaardigen. Een hermelijn in Tsjernopol is verdichte werkelijkheid, zoals ook zoveel historische films dat zijn. Ze lijken als twee druppels water op de wereld van toen, maar danken hun gratie vooral aan de afstand die ons van die werkelijkheid scheidt.

Soms doorbreekt Rezzori dit bitterzoete sprookje, waarin zelfs een pogrom niet werkelijk verontrustend wordt. Dan vertelt hij hoe een joods klasgenootje, wier ouderlijk huis geplunderd werd, met haar vader vertrok naar Heidelberg, waar die laatste een aanstelling had gekregen. In een brief schrijft ze ‘hoe ontzettend gelukkig ze zich in Duitsland voelde: voor het eerst in haar leven verlost van angst.’ De ironie van dat levenslot vat Rezzori samen in één schrijnende zin: ‘De correspondentie liep al na een paar brieven dood.’