Dokter die over gevaar zwijgt, wordt medeplichtig

Artsen hebben informatie over Tristan van der V. niet gedeeld. Hun beroepsgeheim is evenwel niet absoluut, aldus H.J.R. Kaptein en Hans Werdmölder.

In de discussie rond het psychiatrisch dossier van Tristan van der V. lopen de emoties hoog op. Dat is terecht. Wellicht had het bloedbad in Alphen aan den Rijn kunnen worden voorkomen als de politie het dossier had ingezien. Dan was er geen wapenvergunning afgegeven.

Aart Hendriks, coördinator gezondheidsrecht bij artsenorganisatie KNMG, vindt dat artsen slechts in heel specifieke gevallen vertrouwelijke informatie aan derden mogen geven: „déze persoon gaat op dát moment díé persoon iets aandoen”.

Ziehier de gevolgen van de verregaande juridisering van de samenleving. Waar elk weldenkend mens vindt dat een schizofreen persoon, die pogingen tot zelfmoord heeft gedaan, geen wapen moet bezitten, steggelen juristen over zogenaamde principes.

Het feit dat de ouders aan de bel hebben getrokken en tegen het overdragen van het dossier aan justitie geen bezwaar hadden, vindt geen genade bij deze principiële juristen. Tristans ouders waren niet zijn wettelijke vertegenwoordigers. Hij was bovendien toerekeningsvatbaar.

Deze zogenaamde ‘onvoorwaardelijke’ geheimhouding is in strijd met de wet. De grondslag van medische en andere geheimhoudingsplicht is artikel 272 Wetboek van Strafrecht: „hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie”.

Dit is opzettelijk onduidelijke taal. Zelfs de wetgever zag in dat geheimhouding niet heilig is en moet wijken voor grotere belangen.

Onomstreden is dat geheimhouding dient om de vrije toegang te garanderen tot medische zorg. Wie weet dat gênante medische gegevens aan het licht kunnen komen, zal minder graag naar de dokter gaan, maar wie mijdt de dokter omdat bekend is dat gevaarlijke patiënten worden gemeld? Dan moet je wel erg weinig geven om je gezondheid.

Zo beschouwd heeft de dokter niet zo veel af te wegen. Hij moet dus waarschuwen als een patiënt de stellige schijn wekt dat hij iemand anders ernstig kan beschadigen.

Is dat gegeven geen doorbreking van het principe van vertrouwelijkheid? Neen. Hij deelt namelijk vertrouwelijke informatie met andere geheimhouders. Dokters die over gevaar zwijgen, worden medeplichtig. Zij zijn als de man aan de waterkant die tegen de drenkeling zegt: „daar is de brandweer voor”.

De gegevens van Tristan van der V. moeten dus alsnog ter beschikking worden gesteld. Nabestaanden en andere slachtoffers hebben er recht op dat alles boven water komt.

De geestelijke gezondheidszorg doet hier aan vertragingstactiek. Zonder geheimhoudingsplicht is er ook geen verschoningsrecht in straf- en andere zaken. Voor de rechter moet de hele zaak hoe dan ook aan het licht komen.

Wijziging van wet- en regelgeving is overbodig. De wet is duidelijk over geheimhoudingsplicht. Belangrijk is wel dat medici, net als advocaten en andere professionele geheimhouders, beter daarmee leren omgaan. Daarbij kan het inzicht helpen dat zij er niet alleen zijn voor cliënten en zichzelf, maar ook voor alle anderen.

Dr. H.J.R. Kaptein is universitair hoofddocent rechtstheorie aan de Universiteit Leiden. Hans Werdmölder is universitair hoofddocent rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht.