De privacy wordt nauwelijks bewaakt

Het College Bescherming Persoonsgegevens dreigt te marginaliseren. Advies krijg je er niet meer. Het is een „legitimatiemachine voor verkeerde ontwikkelingen”.

Waar moet de burger heen met een privacyprobleem? Bij wie kan een bedrijf aankloppen als het een klantenbestand aanlegt en wil weten of het volgens de wet handelt? En wie geeft Google een boete bij privacyschending?

Je zou zeggen: het College Bescherming Persoonsgegevens. Deze toezichthouder moet de privacy van de Nederlandse burger bewaken. Maar in de praktijk speelt dit CBP een bescheiden rol. En dat terwijl de gemiddelde Nederlander al in meer dan 1.500 databanken voorkomt, van de NS of Wehkamp tot die van het CIOT, dat dagelijks tienduizenden gegevens over verdachte telefoontjes, tweets of websites aan politie en justitie levert.

Het CBP heeft een verklaring voor die bescheiden rol: weinig bevoegdheden, weinig mensen (80 volle banen) en weinig geld (7,6 miljoen euro per jaar). Daar zit wat in: volgens het Europees Agentschap voor de Grondrechten is Nederland wat apparaat en budget betreft vergelijkbaar met Bulgarije, Italië, Letland en Cyprus. Toezichthouders in de meeste andere landen hebben meer middelen. En dan kampt het CBP ook nog met 9,2 procent ziekteverzuim, twee maal zo hoog als het landelijk gemiddelde.

Critici zeggen dat het CBP zijn bescheiden rol ook aan zichzelf te wijten heeft. Het college zou zich te veel richten op de overheid (bijvoorbeeld wetgevingsadvies) en te weinig op voorlichting aan burgers en bedrijven. Ook zou het CBP tekortschieten in zijn handhavende taken. Door een eenzijdig personeelsbestand – veel juristen, weinig technici – zou het CBP bovendien vaak achter de feiten aanhollen.

„Burgers ervaren het CBP steeds minder als bondgenoot”, zegt Corien Prins, hoogleraar recht en informatisering in Tilburg. „Dat komt onder meer doordat ze voor individuele klachten alleen nog bij de Nationale Ombudsman terechtkunnen.” Burgers die een privacyschending bij het CBP willen rapporteren, zegt Prins, worden ook slecht geholpen. „De website waarop ze klachten kunnen rapporteren [mijnprivacy.nl], maakt niet bepaald de indruk goed bijgehouden te worden.” Dat klopt, aldus het CBP. Door ziekte en gebrek aan geld bleef noodzakelijke vernieuwing van de site uit.

Ook bedrijven krijgen tegenwoordig nul op het rekest. Met vragen over welke data ze mogen opslaan, bijvoorbeeld, kunnen ze sinds enkele jaren niet meer terecht bij de privacywaakhond. Een bezuiniging.

Consultant Huib Gardeniers, ooit werkzaam bij CBP-voorloper de Registratiekamer, betreurt dat. De wet eist dat je zorgvuldig met persoonlijke gegevens omgaat, legt hij uit, maar diezelfde wet is ook vaak „behoorlijk vaag”. Goedwillende bedrijven die duidelijkheid zoeken of hun werkwijze is toegestaan, kunnen niet meer bij het CBP terecht.

Een woordvoerder van werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland herkent dat. „Wij vinden: bij een toezichthouder hoort een adviesrol.” Advisering hoeft niet tot in detail, zegt hij, maar zo’n CBP zou wel „richting moeten aangeven”.

Critici plaatsen ook vraagtekens bij de manier waarop het college privacyregels handhaaft. De waakhond zou laks zijn met de handhaving van privacy in bijvoorbeeld systemen voor opslag van patiëntgegevens.

Jurist Ab van Eldijk, voorzitter van een koepelorganisatie in de geestelijke gezondheidszorg: „Het komt voor dat het CBP in het begin goed kijkt naar een IT-project, maar later geen tijd heeft. In de loop van zo’n project kan misbruik van gegevens optreden – dat is een glijdende schaal –, maar controle ontbreekt dan. Als we daar de verantwoordelijken op aanspreken, zeggen die: het CBP heeft er toch naar gekeken?”

Zo wordt het college, volgens Van Eldijk, „een legitimatiemachine voor verkeerde ontwikkelingen. Ik heb liever geen toezichthouder dan een slechte toezichthouder.”

Hoe verder met het CBP? De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelde voor een autoriteit met veel meer bevoegdheden in het leven te roepen. Verantwoordelijk staatssecretaris Fred Teeven (Justitie, VVD) heeft onlangs in de senaat gezegd weinig in zo’n scenario te zien, onder meer om budgettaire redenen. „En daarmee ligt een verdere marginalisering van het CBP op de loer”, zegt hoogleraar Prins.