Chinese groei barst van de risico's

De Chinese expansie gaat onverminderd door. Pogingen van de autoriteiten om de groei af te remmen halen vooralsnog weinig uit. Vooral in het midden en het westen van het land draait de economie op volle toeren.

Investeringen in nieuwe fabrieken, onroerend goed, wegen, vliegvelden en spoorlijnen in Midden- en West-China zijn de motor van de economie. Die groeide in het tweede kwartaal met 9,5 procent. Deze aanhoudend forse groei maakt volgens het Chinese bureau voor de statistiek de gevolgen van de Europese schuldencrisis in China helemaal ongedaan.

Pogingen van de autoriteiten om de groei af te remmen om de stijging van de inflatie (6,4 procent in juni) te beteugelen hebben nauwelijks invloed gehad op het groeitempo. De industrialisatie en urbanisatie van centraal en westelijk China zijn in de hoogste versnelling gezet en dat zal de komende jaren ook in de groeicijfers te merken zijn, aldus chef-econoom Dong Tao van Credit Suisse in Hongkong. In zijn analyse van de laatste groeicijfers stelt hij vast dat de staal-, koper- en aluminiumfabrieken in China op topcapaciteit draaien.

De investeringen van staats- en particuliere bedrijven stegen in de centrale en westelijke regionen in de eerste zes maanden met 31 procent; in de industriële centra aan de oostkust met 23 procent. Achter deze droge cijfers gaan omvangrijke bouwactiviteiten schuil: 49 vliegvelden, 18.000 kilometer spoor voor hogesnelheidstreinen, 30 kerncentrales en 36 miljoen woningen.

Economen als Dong Tao, maar ook Mark Williams, de China-expert van Capital Economics in Londen, zien nog niet dat de groei van de economie wordt veroorzaakt door een stijging van de binnenlandse consumptie. Sinds de economische groei van 2008/2009 wordt er in de G20 en door financiële instellingen als het Internationaal Monetair Fonds (IMF) bij China op aangedrongen de binnenlandse vraag te versterken om het groeitempo van de wereldeconomie op te voeren.

„Het aandeel van de binnenlandse consumptie in het bruto binnenlands product is zelfs gedaald”, aldus Williams in een analyse van de Chinese economie. Hij denkt dat dit op export en investeringen in vaste activa gebaseerde groeimodel op termijn niet houdbaar is. Een analyse die overigens gedeeld wordt door de Chinese premier Wen Jiabao.

Pogingen van de centrale autoriteiten in Peking om de groei af te remmen en de koers te verleggen naar meer binnenlandse consumptie blijken in de praktijk vaak te stuiten op verzet van lokale overheden, vooral van de machtige provinciale en stedelijke partijsecretarissen.

Deze functionarissen willen, voor de verdere ontwikkeling van hun regio’s, blijven investeren in vaste activa en infrastructuur. Hoe hoger de groeicijfers hoe groter hun kansen op promotie in de partijhiërarchie.

Dong Tao en Mark Williams constateren bovendien dat er in de praktijk weinig terechtkomt van het intomen van de leningen aan lokale overheden. „Te laat en te halfslachtig”, aldus Dong. De zeven grote Chinese banken – staatsbanken die de ruggengraat van het financiële systeem vormen – hebben op dit moment voor 1.500 miljard euro aan leningen uitstaan. Zeker een kwart daarvan wordt beschouwd als slecht. In juni werd voor ruim 90 miljard euro aan leningen uitgeschreven, een stijging van 15 procent ten opzichte van mei.

„Geld is goedkoop in China omdat de staat de rente laag houdt, op ongeveer 6,5 procent, terwijl de inflatie 6,4 procent is”, aldus Williams, „en er stroomt veel hot money naar China.” Een deel van die speculatieve buitenlandse gelden is Chinees kapitaal dat om belastingtechnische redenen wordt omgeleid via Singapore en Hongkong, en van daaruit in China wordt geïnvesteerd.

Er is ook een politieke en daarom belangrijkere verklaring voor het feit dat partijbonzen van groeiprovincies als Sichuan en Chongqing gemakkelijk aan leningen kunnen komen, ondanks het bevel aan de banken de geldkraan dichter te draaien en ondanks vijf recente renteverhogingen.

‘Partijsecretarissen in deze regio’s zijn ook lid van het Politbureau. De president-directeur van bijvoorbeeld de Bank of China heeft slechts de rang van minister of viceminister. Als een lid van het Politbureau voor zijn provincie of stad een lening vraagt, kan ook de voorzitter van een van de grootste banken ter wereld alleen maar antwoorden: ja natuurlijk kameraad, hoe groot mag het bedrag zijn en tegen welk speciaal tarief?”, aldus de Amerikaanse bankiers Carl Walter en Howe Fraser in hun pas verschenen boek Red Capitalism. Daarin leggen zij uit dat het er in staatskapitalistisch China anders aan toegaat dan in westerse economieën.

Ook Mark Williams in Londen denkt dat door deze gang van zaken het risico groot is dat kapitaal op de verkeerde plaatsen komt en tot overcapaciteit leidt. Hij waarschuwt dat de Chinese banksector wordt ondermijnd door de druk om slechte leningen te verstrekken. Het Singaporese staatsfonds Temasek heeft om die redenen al belangen in Chinese banken, waaronder de Bank of China, afgestoten.

Voor de Chinese regering – de Staatsraad – is dat geen reden voor onmiddellijke bezorgdheid. Bestrijding van de stijging van de voedselprijzen heeft prioriteit, aldus premier Wen Jiabao eerder deze week. Vlak voor zijn reis naar Europa schreef hij in de Financial Times dat China het „inflatiespook” had verjaagd, maar dat is nog niet het geval.

Voedelprijzen stijgen met gemiddeld 14 procent per maand. Dat is het gevolg van de grote vraag en het beperkte aanbod. Vooral de in één jaar met 57,5 procent gestegen prijzen van varkensvlees zorgen voor veel gekanker op straat en in media. De doorgaans ploeterende varkensboeren zijn daarentegen dik tevreden.

Passagiers in de hogesnelheidstrein van Peking naar Shanghai, die langs dorpen met varkensboerderijen racet, kunnen aan gerenoveerde huizen, reusachtige satellietschotels en nieuwe auto’s zien dat deze eens zo nederige boeren topjaren doormaken.