Ben ik als dove de straf van God?

Kunstenaar, vj en grafisch ontwerper Marie van Driessche studeerde net af.

Doofheid speelt een rol in haar kunstobjecten. „Wij doven kunnen in 3D denken.”

‘Heel lang geleden waren er twee mensen.’ Met die tekst begint een YouTube-filmpje waarin een blond meisje van ongeveer zes jaar staat voor een schilderij van Adam en Eva. Zij vertelt het verhaal van de appel en het paradijs in gebarentaal.

Het meisje op de film is Marie van Driessche (22). Ze is vanaf haar geboorte doof, en net afgestudeerd aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, richting grafisch ontwerpen. Ze woont samen met acht jongeren in het Dovenpand, een studentenhuis voor doven in de Amsterdamse Pijp. Het pand werd vijf jaar geleden door Stichting Huisvesting Dove en Slechthorende Jongeren gerenoveerd en huisvest nu drie appartementen en zes studentenkamers. Het is een huis dat nauwelijks verschilt van een gewone studentenwoning – behalve dan dat er geen geluid klinkt wanneer het brandalarm afgaat of als er wordt aangebeld. In plaats daarvan gaan felle lichten knipperen. Marie vond het Adam-en-Eva-filmpje terug en besloot het te gebruiken als rode draad in haar afstudeerproject, waarin ze zichzelf de vraag stelde: ben ik, als dove, een straf van God? Ze discussieerde erover met verschillende mensen, deed mee aan genezings- en kerkdiensten en legde de vraag voor aan een pastor.

Waarom deze vraag?

„Ik had de indruk dat veel doven zich bekeerden tot het christendom. Waarom? Om troost te zoeken? Omdat ze geloven dat ze ‘beter’ worden? Ik weet het niet. Maar er zijn een hoop mensen die denken dat doven genezen kunnen en moeten worden.

„Zelf zie ik mijn doofheid niet als iets slechts, en ik geloof sowieso niet in God. Maar ik hou van provoceren; dus als ik met christenen praat, komt altijd de discussie op het doof zijn. En dan vraag ik: waarom ben ik doof? Heeft God dat bedoeld?”

En hoe zocht je naar het antwoord?

„Ik ben naar genezings- en kerkdiensten geweest. Een van de diensten was doodeng: ik werd in het publiek gegooid en iedereen wilde me aanraken. De leider rammelde me door elkaar, voelde aan mijn oren; opeens schreeuwde hij keihard in mijn oor. Omdat hij zó hard schreeuwde dat ik het kon horen, schrok ik. Meteen gingen alle handen omhoog: ‘HALLELUJA!’ Mij werd gevraagd of ik iets hoorde. Ik stond op het punt om ‘ja’ te zeggen – ja, ik kan weer horen, gewoon om er vanaf te zijn. Ik was totaal gebrainwashed. Een meisje kwam na afloop naar me toe en zei: „Je zult waarschijnlijk niet in één keer weer kunnen horen, daarvoor moet je vaker komen, maar ik zal voor je bidden.” Ik durfde die avond niet alleen te slapen. De volgende ochtend lag ik te schreeuwen in mijn bed – en ik was zo blij dat ik nog steeds doof was! Stel nou dat het echt gewerkt had, dan was ik helemaal gek geworden.”

Toen je 16 was heb je een documentaire gemaakt Herrie in mijn hoofd– waarin de focus ook op je doofheid lag. Speelt doof zijn een grote rol in je kunstprojecten?

„Ik ben veel bezig met het observeren van mensen: daar haal ik inspiratie vandaan. Misschien omdat ik niet kan horen wat ze zeggen, kijk ik meer naar wat ze doen, hoe ze zich bewegen. Wat voor een houding ze hebben, en of ze zich een andere houding aanmeten. Toen ik aan het backpacken was met een vriendin maakten we er een spel van: we probeerden te raden uit welk land anderen kwamen, wat voor opleiding ze deden, hoe ze waren, enzovoort. Later vroegen we het aan ze en het klopte nog vaak ook. Toch wilde ik aanvankelijk niet afstuderen met iets wat met mijn doofheid te maken had; kiezen voor dit onderwerp was echt een knelpunt. Iedereen ziet mijn doofheid namelijk als mijn eerste en enige eigenschap. Het hoort bij mijn identiteit, het ís mijn identiteit – maar ik ben veel meer dan dat.”

Je studeerde grafisch ontwerpen, je schrijft voor het doventijdschrift Woord en Gebaar, je werkt als vj in clubs en op feesten.

„Ik wil mensen laten zien dat doven net zoveel kunnen als horenden. Horenden hebben snel toch een instelling van: doof? Oké, laat maar. Terwijl dat helemaal niet hoeft uit te maken. En doven hebben speciale kwaliteiten. Wij kunnen bijvoorbeeld in 3D denken, horenden kunnen dat niet.”

Denken in 3D?

„Doven hebben daardoor een groot ruimtelijk inzicht. Maar doven zijn sowieso veel visueler ingesteld dan horenden: wij zien alles sneller, hebben overal meteen een beeld bij. En we letten op alles, wanneer we met iemand praten bijvoorbeeld. Horenden hebben alleen aandacht voor mond en oren – de rest bestaat niet. Doven zien meer: mond, neus, ogen, mooi, mooi, aanraken!”

Marie bestelt een thee. Ze kan vrij goed praten – iets wat ze al vroeg geleerd heeft door middel van logopedie. Maar de serveerster herhaalt de bestelling in het Engels. „Dat gebeurt altijd. Als ze merken dat je doof bent, denken mensen: ze spreekt geen Nederlands. En dan gaan ze automatisch in het Engels tegen me praten.”

Word je daar weleens boos over?

„Nee, zonde van de energie. Het is pure onwetendheid. Er zijn elke dag mensen die voor het eerst een doof iemand tegenkomen, dat is voor sommigen choquerend.”

Hoe is het om in een huis met alleen maar doven te wonen?

„Het is fijn om mensen om je heen te hebben die dezelfde levensstijl hebben als jij. Bovendien: liplezen en praten kan erg vermoeiend werken. Als je de hele dag onder de horenden bent geweest, is het fijn om thuis te komen en gewoon te gebaren. En het Dovenpand is gezellig, er wonen alleen maar vrienden van mij.”

Heb je horende vrienden?

„Op de middelbare school had ik er veel; dat aantal wordt steeds minder. Soms ben ik er wel een beetje bang voor dat ik alleen maar dove vrienden overhoud, want ik vind het prettig om beide werelden in te kunnen: de dovenwereld is net een dorp, klein en soms benauwend. Het is heel erg ons kent ons. Maar toch komt het voor dat je op een groot dovenfeest bent en dan denk je hee, nieuwe gezichten. En dan besef je dat de dovengemeenschap groter is dan wij allemaal denken. Mijn vriendje is zo’n nieuw gezicht: hij komt uit Canada. Hij is net hierheen verhuisd.”

Op welke momenten heb je het meest last van het feit dat je doof bent?

„Soms zit mijn doofheid gewoon in de weg als ik iemand aan wil spreken. En ik kan jaloers zijn op mijn vader en zus, omdat zij wél naar mijn oma kunnen bellen die in België woont, terwijl ik dat niet kan. Toch zie ik het niet als een beperking, eerder als een verrijking. Ik ben blij met hoe ik ben, en ik accepteer de situatie zoals die is. Een pastor die ik voor mijn project heb geïnterviewd zei tegen mij: ‘Een handicap is een grens. En ieder mens heeft grenzen, de een wat ingrijpender dan de ander: sommigen hebben vaak hoofdpijn, anderen zijn doof. Iedereen wordt geboren met grenzen waarmee je leert leven, en die tijdens je leven dichterbij of verder weg komen te liggen.’ Dat vond ik mooi.”

En wat is je eigen antwoord op de vraag of doof zijn een straf van God is?

„Het is een open eind. Als voorlopige conclusie kan ik stellen: ik maak geen probleem van mijn doofheid; ik zie dat anderen dat doen. Zij willen mij hulp bieden, genezen – van mij hoeft dat niet. Ik ben blij met hoe ik ben.”