Anoniem, maar niet onopgemerkt

Sinds 2009 leefde Maarten Zeegers (29) in de wereld van de orthodoxe islam en maakte hij de Syrische protesten mee.

Maandag werd hij uitgezet. „Nederlander. Melden.”

Door de getraliede ramen van de politiebus schiet Damascus aan mij voorbij. Het klassieke treinstation uit de negentiende eeuw, de muren van de oude stad, de imposante citadel van de Arabische held Salladin. Het zullen mijn laatste beelden zijn van de stad waar ik de laatste tweeënhalf jaar heb gewoond en gestudeerd.

Ik laat een religieus en politiek verscheurd land achter, hopeloos verdeeld tussen voor en tegenstanders van het regime. Arme soennieten eisen de val van het regime. Religieuze minderheden en de rijke middenklasse hebben zich daarentegen achter de president geschaard uit angst voor een islamitische overheersing. De toekomst is onzeker.

Voor mij houden twee bewakers de gevangenen in de bus nauwlettend in de gaten. Achter mij op de bank zit een Saoedische drugsgebruiker vastgeketend aan een Iraniër met daar weer achter twee Irakese straatvechters. Weggedoken op de achterbank maakt een illegale prostituee uit Indonesië ons gezelschap compleet. Ongewenste vreemdelingen, niet langer welkom in Syrië.

Terwijl de politiebus de snelweg opdraait in de richting van het vliegveld en Damascus langzaam uit het zicht verdwijnt gaan mijn gedachten terug naar tweeënhalf jaar geleden.

Met niet meer dan een koffer met wat kleren kwam ik aan in de Syrische hoofdstad met het doel om islamitisch recht te studeren. Eenmaal gesetteld sloot ik mij illegaal – zonder de vereiste toestemming van de Syrische veiligheidsdienst – aan bij de eerstejaars studenten van de islamitische faculteit van de universiteit van Damascus. Zo kwam ik terecht in de wereld van de orthodoxe islam. Een wereld van imams, de koran en het dagelijks gebed. Een wereld waar het leven van de profeet als strikt leidraad geldt voor vrijwelk elk menselijk handelen. Een wereld waar de scheiding tussen man en vrouw tot op het absurde wordt doorgevoerd.

Bij colleges op de universiteit zitten de volledig in het zwart gesluierde meisjes aan de linkerkant van de zaal, de verlegen jongens gekleed in wollen broeken en jaren vijftig overhemden aan de rechterkant. Meisjes die een vraag willen stellen, schrijven deze op een klein papiertje en geven deze door naar voren. Zelfs het stemgeluid van de vrouw geldt hier als verboden, haram.

Toen op een dag bij uitzondering een vrouw toch een vraag durfde te stellen en ik als natuurlijke impuls mijn hoofd draaide om de spreker aan te kijken, werd mij dringend verzocht daar mee op te houden. „Hé, jij daar”, snauwde de professor mij toe terwijl hij in zijn vingers knipte. „Draai je onmiddellijk om.” Mijn grinnikende medestudenten moesten gedacht hebben: ‘die arme westerling. Die weet vast nog niet hoe het hier precies werkt.’

Veel van mijn vrije tijd bracht ik door in Arbin, één van de ultraconservatieve voorsteden van Damascus, waar de tijd de afgelopen vijftig jaar stil heeft gestaan. De centrale winkelstraat van Arbin bestaat uit houtsnijders en meubelmakers. Theehuizen, restaurants en andere uitgaansgelegenheden zijn er hier niet. Vrouwen komen alleen op straat in een lange zwarte mantel (abaya) en een sluier die het aangezicht volledig bedekt (nikaab).

Lange avonden bracht ik door in een koranwinkeltje in Arbin. Hier dronk ik thee met de zoon van de eigenaar, een lokale imam, luisterden we naar foute Arabische popmuziek, hadden we urenlange gesprekken over meisjes of liet hij mij stiekem pornofilmpjes zien op de computer van zijn vader.

Tijdens een van deze avonden klopte plots een volledig in het zwart gehulde vrouw met gezichtssluier de winkel binnen. „Wat wil dat mens toch”, riep mijn vriend geïrriteerd uit. Hij stond op, liep naar de deur en wisselde wat woorden met de vrouw in nikaab. Toen hij terug de winkel in liep, legde hij ietwat beschaamd uit: „Dat was mijn moeder”.

Toen, aangemoedigd door geslaagde volksopstanden in Tunesië en Egypte, ook in Syrië protesten tegen het regime uitbraken, bevond ik mij opeens midden in het milieu van de islamitische oppositie.

In de Grote Moskee van Damascus, een historisch gevoelige plek, was ik aanwezig toen activisten het vrijdaggebed onderbraken om te protesteren voor meer vrijheid. Op de universiteit werden wij opgesloten in de collegezaal om te voorkomen dat we ons zouden aansluiten bij een studentendemonstratie op de campus.

Onmiddellijk werd duidelijk dat het regime niet van plan was om aan de roep om vrijheid gehoor te geven. De betogers op de universiteit en in de moskee werden snel ingerekend, in elkaar geslagen en afgevoerd door de opeens overal aanwezige veiligheidsdienst.

De opstand breidde zich toch uit. Eerst naar de voorsteden van Damascus en vervolgens over het hele land. De regering schrok niet terug om bruut geweld te gebruiken in een poging de protesten de kop in te drukken. Tijdens demonstraties in Arbin was ik er getuige van hoe veiligheidsagenten het vuur openenden op vreedzame betogers waarbij vier mensen omkwamen. Een vriend werd door een kogel in zijn buik geraakt en afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar vormden inwoners een menselijke keten om te voorkomen dat de veiligheidsdienst de gewonden zou arresteren en afvoeren.

Enkele weken later omsingelden militairen en agenten in burger op vrijdag het centrum van het stadje, op jacht naar demonstranten. Ternauwernood wisten ik en een vriend die bij de demonstratie was aan arrestatie te ontkomen door ons in een winkel achter een boekenkast te verstoppen. Op brommers en motoren wisten wij uit het gebied te ontsnappen.

Voor NRC Handelsblad en nrc.next deed ik ondertussen ooggetuigeverslag van de gebeurtenissen. Anoniem, aangezien buitenlandse journalisten niet in Syrië worden toegelaten. Op die manier hoopte ik de Syrische veiligheidsdienst te ontlopen.

Bij het verlengen van mijn verblijfsvergunning begin deze week bleek echter al snel dat er iets mis was. De dienstdoende agent verzocht mij om even te gaan zitten. Vervolgens verliet hij de kamer met de woorden: „Er is niets aan de hand hoor, waarschijnlijk gewoon een vergissing”.

Op een papiertje dat de man voor zich op zijn bureau had laten slingeren stond echter onder mijn naam gekrabbeld: ‘ongewenst vreemdeling, verblijfsvergunning ingetrokken.’ Op de gang werd gesproken over mij als „die buitenlandse journalist”. Na een paar minuten kwam de agent terug en droeg mij op mijn handen uit te strekken.

Voordat ik besefte wat er aan de hand was, sloeg hij me in de boeien. Onder bewaking van een tweede agent met een Kalashnikov werd ik in een legerjeep gestopt en met hoge snelheid afgevoerd naar een speciale gevangenis voor criminelen met buitenlands paspoort.

De gevangenis was een ruimte onder de grond in het centrum van de stad. In vier cellen van twintig vierkante meter lagen of zaten gevangenen verspreid op matrassen vol gaten verveeld voor zich uit te kijken. Een aantal van hen voerde op een matje het rituele gebed van de islam uit.

De gevangenen kwamen van overal uit de Arabische wereld en allen beweerden ze onschuldig te zijn. Een Palestijn die zonder bewijs was veroordeeld voor drugs, een Algerijn die was gearresteerd in gezelschap van zijn neef die vals geld bij zich had, en een Jemeniet die toevallig op bezoek was bij zijn zus in de Syrische stad Homs, net toen hier protesten uitbraken tegen het regime.

Sommigen zaten hier al maanden zonder enig uitzicht op vrijheid, omdat zij niet genoeg geld hadden voor de terugreis, of omdat hun ambassade niets voor hen deed. „Maak je niet ongerust” , vertelde een Palestijnse illegaal uit Gaza. „Als je over een Europees paspoort beschikt ben je over twee dagen weer vrij. Om Palestijnen bekommert niemand zich.”

Om tien uur riep een van de bewakers van de gevangenis mijn naam om. „Nederlander. Melden.” Vrienden hadden met hulp van de Nederlandse ambassade een vliegticket kunnen regelen. Het eerstvolgende vliegtuig zou om drie uur ’s nachts vertrekken. Bestemming: Istanbul. Een politiebus zou mij samen met andere gevangenen naar het vliegveld brengen en mij uiteindelijk onder persoonlijke bewaking op een vliegtuig naar Turkije zetten. Gelegenheid om iets van mijn persoonlijke bezittingen mee te nemen was er niet.

Door rumoer uit de bus schiet ik plots wakker uit mijn gedachten. Een van de bewakers die zich op de achterbank naast de Indonesische prostituee had genesteld, probeert handtastelijk te worden. De vrouw is hier echter niet van gediend en sputtert tegen. Een andere bewaker roept zijn collega tot de orde en er ontstaat een woordenwisseling.

„Hou er mee op. Die man is schrijver”, roept een bewaker uit, terwijl naar mij wijst. „Straks schrijft hij nog over ons dat we vrouwelijke gevangenen aanranden. Alsof ze in de internationale media al niet genoeg leugens over ons verspreiden.”

Tot aan het einde toe zijn de Syrische autoriteiten bang voor elke onafhankelijke journalist die in het land verblijft.

In handboeien of niet.