Alles zit nu in één laptopje

Wordt muziek mooier van alle technologische revoluties? Die vraag keert terug in een boek over elektronische muziek, het genre dat op het podium toe kan met luidspreker en bloemstuk.

Jacqueline Oskamp: Onder Stroom. Geschiedenis van de elektronische muziek in Nederland. Ambo, 251 blz. €19,95.

‘In de eerste elektronische composities zien we nog tal van ‘instrumentale’ trekken. En de luisteraar stemt zijn verwachtingen nog af op het vertrouwde, niet beseffende dat hetgeen daarvan nog aanwezig is, mogelijkerwijs voorbestemd zal zijn op te lossen in nieuwe, onvermoede vormen.’ Zo verwoordde componist Ton de Leeuw in 1960 enigszins hooggestemd zijn mening over toestand en toekomst van het nog piepjonge genre elektronische muziek. Veel componisten gebruikten volgens De Leeuw recent geïntroduceerde apparatuur als bandrecorders, toongeneratoren, filters nog te veel als oppervlakkige geluidsbron in muziek die verder conventioneel was opgebouwd.

Een logisch overgangsstadium, aldus De Leeuw. Toen eeuwen eerder de zelfstandige instrumentale muziek ontstond, werden de muzikale vormen in eerste instantie ook overgenomen uit de vocale muziek die daarvóór weer was gaan bloeien.. Pas na verloop van tijd zouden wezenlijk instrumentale vormen als de symfonie en de fuga ontstaan. Zoiets ‘eigens’ stond volgens hem ook de elektronische muziek te wachten.

Hoe muziek zou klinken die niet alleen aan de oppervlakte ‘elektronisch’ is, maar ook in haar diepere structuur, kon De Leeuw nog maar gedeeltelijk overzien. Aan conservatoria, universiteiten en in privé studio’s was destijds net als elders in Europa en Amerika een gretige ontdekkingsreis begonnen door componisten en musici van divers pluimage. De Leeuw vertegenwoordigde met zijn ideaal van een intrinsiek elektronische muziek maar één van de vele stemmen.

In Onder Stroom geeft Jacqueline Oskamp een degelijk en uitgebreid overzicht van ruim 50 jaar elektronische muziek in Nederland. Ze beschrijft een wijdvertakte delta, met brede en smalle stromen gescheiden door esthetische, institutionele en ook persoonlijke barrières, zoals bij de invloedrijke, maar door zijn oorlogsverleden bij velen omstreden Henk Badings.

Dance

Oskamp richt zich alleen op de klassieke traditie van gecomponeerde (en later ook geïmproviseerde) concertmuziek. Pop, en vooral dance – in commercieel opzicht de meest succesvolle exponent van elektronische muziek – speelt in haar verhaal nauwelijks een rol, afgezien van de ‘Song of the Second Moon’ die Dick Raaijmakers in 1957 realiseerde in het NatLab van Philips. Het was de eerste elektronische poptrack ooit, maar voor Raaijmakers, die als conceptueel kunstenaar uitgebreid aan bod komt in één van de zes componistenportretten, ook meteen de laatste.

Oskamp onderscheidt zes deelgenres: akoestische muziek met tape, zuiver elektronische muziek, conceptuele muziek, live-elektronische muziek, klankinstallaties en laptopmuziek. Per deelgenre geeft ze een indruk van de ontstaansgeschiedenis, een portret van een centrale componist, en een overzicht van de relevantie voor het huidige Nederlandse muziekleven.

In het eerste deel behandelt ze bijvoorbeeld muziek waarin een elektronische soundtrack met live bespeelde akoestische instrumenten wordt gecombineerd. Ze beschrijft de reserves na de eerste concerten met elektronische muziek in Nederland, met op het podium niet meer dan een luidspreker en ‘een pompeus bloemstuk’ (aldus Wouter Paap in tijdschrift Mens & Melodie).

Daarna volgt een portret van componist Ton Bruynèl (1934-1998), die daarom als één van de eersten stukken voor bezettingen als ‘basklarinet en soundtrack’ ging schrijven – dan was er tenminste ook nog een musicus van vlees en bloed te zien, en klonk het ook nog eens minder steriel. Aansluitend behandelt Oskamp in kort bestek een aantal componisten die nú in dezelfde traditie werken, onder wie JacobTV, Michel van der Aa en Roderik de Man.

De individuele portretten zijn vaak bijzonder persoonlijk, soms op het psychologiserende af, zoals bij de Amerikaans/Nederlandse fluitiste, improvisator en componiste Anne LaBerge. Maar misschien verklaren onder meer een ingewikkelde vader, een ‘short-person-syndrome’ en een onbedwingbare geldingsdrang inderdaad wel waarom ze zulke extreme, soms aan agressiviteit grenzende muziek maakt.

Actualiteit

De afwisseling van geschiedenis, persoonlijke portretten, en actualiteit maakt het boek bijzonder leesbaar. Op een natuurlijke wijze keert zo ook een centrale kwestie steeds terug: de ene na de andere technologische revolutie doet zich voor (de introductie van de synthesizer, de computer, de laptop), maar het is de vraag of de muziek daar ook mooier van wordt.

In zekere zin komt dit boek dan ook op het eindpunt van een ontwikkeling. De enorme apparaten in laboratorium-achtige studio’s met lange wachttijden, het prikken van kabeltjes, de uren knip- en plakwerk met kilometers geluidsband: het is een wereld die inmiddels grotendeels verdampt is. Alles kan tegenwoordig ook in één laptopje, als het moet zelfs live.

Als voorbeeld noemt Oskamp het ‘technisch spierballenvertoon’ van live-coding, waarbij de muzikant op het podium ter plekke zijn geluidssoftware programmeert. Voor sommige geluidskunstenaars wellicht een droom die werkelijkheid wordt, maar volgens Oskamp levert het over het algemeen een ‘pover muzikaal resultaat’ op. Overigens komt er ook veel muziek voorbij die je wél meteen wilt horen als je Oskamps beschrijving leest, al zal haar boek niet voorkomen dat het een genre voor een kleine schare ingewijden en liefhebbers blijft. Dat blijkt ook uit haar ‘onthulling’ van de waarschijnlijk niet zonder zelfspot benoemde concertreeks de ‘Geheime Avondjes’ van STEIM, de Amsterdamse Studio voor Elektro Instrumentale Muziek.

Ook bij die exclusieve aangelegenheden zal Oskamps centrale argument niet zijn ontkracht: technologische vooruitgang is voor de kunst niet altijd zaligmakend. Uiteindelijk draait het om de inventiviteit en creativiteit van het individu. ‘In de vroege jaren zijn onder primitieve omstandigheden prachtige werken ontstaan, terwijl de huidige geavanceerde apparatuur geen enkele garantie biedt voor muzikale kwaliteit.’