Zwijgen of praten over psychiatrische patiënten

Als een gestoord mens een bloedbad aanricht, zoals dit voorjaar in Alphen aan den Rijn, rijst al snel de schuldvraag. Dat ligt voor de hand. Zo’n irrationele geweldsdaad is onbegrijpelijker dan bijvoorbeeld een crime passionnel. De samenleving heeft dan behoefte aan rationele verklaringen. We willen nu dus weten waarom de ‘schizofrene’ Tristan van der Vlis überhaupt over een officiële wapenvergunning beschikte.

Afgaande op het onderzoek van de rijksrecherche luidt het antwoord: omdat de afdeling Bijzondere Wetten van het politiekorps Hollands Midden hem dat verlof in 2008 heeft gegund, hoewel de politie had kunnen weten dat hij eerder gedwongen opgenomen was geweest.

Hoofdofficier Nooy en korpschef Stikvoort hebben zich voor deze laksheid geëxcuseerd. Toch vond Nooy het nodig ook de psychiatrische instelling Rijnstreek bij de schuldvraag te betrekken. De artsen hadden hun beroepsgeheim terzijde moeten schuiven en moeten meewerken aan het onderzoek. Dat mocht ook van de ouders, die eerder aan de bel trokken over de legale wapens van hun thuiswonende zoon die ze niet meer in het gareel hadden.

Daar liet Nooy het bij. Ze zag ervan af om Rijnstreek met de machtsmiddelen die de justitie wel degelijk heeft, te dwingen tot samenwerking. Kennelijk zag ze in dat het de politie is die wapenvergunningen verstrekt, niet de ggz. Het is aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg om te beoordelen of ook Rijnstreek medische fouten heeft gemaakt.

Toch heeft het verwijt van Nooy geleid tot een debat over de vraag of het medisch beroepsgeheim kan worden gerelativeerd. Dat gaat iets te snel. En niet alleen omdat zo de aantoonbare omissies van de politie te simpel worden weggestreept tegen de mogelijk missers van de psychiatrie. Natuurlijk is beroepsgeheim geen taboe. Dat was het niet toen het bij het melden van kindermishandeling aan de orde kwam. En het is het, zelfs wettelijk, evenmin als er bijvoorbeeld een epidemie dreigt.

Het beroepsgeheim is dus niet absoluut. Maar als een arts kampt met een ‘conflict van plichten’ (zwijgen of praten over een echt gevaarlijke patiënt) en het beroepsgeheim vervalt, moet het gaan om een concrete dreiging die moet worden voorkomen en niet om een analyse achteraf. Bovendien: als geesteszieken niet meer a priori kunnen rekenen op vertrouwelijkheid, wordt de kans op brokken groter en wordt de ggz een soort gevangenis om mensen op te sluiten in plaats van te helpen.

Het medisch beroepsgeheim is een groot goed. Het ondermijnt niet de veiligheid van de maatschappij maar beschermt haar eerder. Om principiële én materiële redenen moeten regering en parlement daar zeer behoedzaam mee omspringen. Minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) wil de code nu niettemin toch „tegen het licht houden”.

Dat mag de minister. Als ze dat maar wel zeer voorzichtig doet.