Wat als deze kogel nooit was afgevuurd?

Wat als Willem van Oranje niet was vermoord? Op ‘Wat als’-scenario’s wordt ten onrechte vaak neergekeken.

Inleiding op een driedelige serie over ‘Wat als’.

Speculeren hoe de geschiedenis anders had kunnen lopen is populair. Althans in Amerika en Engeland. Alternatieve geschiedenissen – ofwel wat als-scenario’s – kom je er in allerlei vormen tegen: in literaire boeken (als Fatherland en The plot against America), films (Inglourious Basterds), televisieseries (de jaren 90-serie Sliders) en zelfs computerspellen (C&C: Red Alert). Vooral scenario’s waarin Duitsland de Tweede Wereldoorlog wint, doen het goed.

Maar niet alleen populaire media maken gebruik van wat als-scenario’s, ook beleidsmakers en wetenschappers doen dat. Zo was na de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse containment-politiek tegen de Sovjetunie een directe reactie op het vermeende mislukken van de Britse appeasement-politiek tegen nazi-Duitsland in de jaren dertig. Bekende academici als historicus Niall Ferguson en politicoloog Richard Ned Lebow werken al jaren met alternatieve geschiedenissen.

Ook de Nederlandse geschiedenis staat bol van momenten die vragen om een wat als-vraag. Wat als Pim Fortuyn niet was vermoord? Wat als de Belgische opstand van 1830 was neergeslagen? Wat als de Franse koning Lodewijk XIV zijn aanval op Nederland in het Rampjaar 1672 had doorgezet? Wat als Antwerpen niet in Spaanse handen was gevallen (1585) of Willem van Oranje niet was vermoord (1584)? Allemaal relevante vragen die ons dwingen om ons uit te spreken over de loop van de Nederlandse geschiedenis.

Toch worden ze maar hoogst zelden opgeworpen. De meeste Nederlandse historici kijken eerder wat neer op alternatieve geschiedenissen, die zij veelal beschouwen als flauwekul en borrelpraat. Ten onrechte. Wat als-scenario’s zijn niet alleen onderhoudende, maar ook nuttige en zelfs onontkoombare tools in de historische toolbox.

Om het dedain van Nederlandse historici voor ‘wat als’ te verklaren, moeten we terug naar de traditie waarin hier geschiedschrijving wordt bedreven. De nadruk ligt sterk op het beschrijven van de daadwerkelijke gebeurtenissen. Historici moeten neutraal staan in hun onderzoek, en de historische werkelijkheid reconstrueren op basis van droge feiten. Daarin is weinig ruimte voor ‘gekleurde’ theorieën, laat staan voor speculatie.

Maar kan dat wel, op basis van droge feiten de geschiedenis beschrijven zonder theorie of speculatie? Nee, eigenlijk niet. Wie oorzaak en gevolg probeert te onderscheiden, maakt altijd een impliciete afweging van alternatieve scenario’s. Wat als-scenario’s zijn onvermijdelijk bij elke causale veronderstelling, of we dat nu willen of niet. Wie zegt dat x leidt tot y, veronderstelt dat y anders was uitgepakt zonder x. Wanneer historici zich inderdaad puur zouden beperken tot beschrijven, kunnen zij zich dus nooit uitlaten over causaliteit.

Harry Mulisch bekritiseerde het probleem van historici al in de jaren zeventig. Hij schreef: „De onwrikbare onveranderlijkheid van het verleden, van alles wat er geschied is, staat in schrille tegenspraak tot de contingentie van de toekomst. (…) Die essentiële onzekerheid, dat was allereerst ‘wie es wirklich gewesen’, want niemand wist hoe het zou zijn. (…) Toen zij plaatsvonden, waren historische verschijnselen geen historische verschijnselen. Het karakter van de noodzakelijkheid, het eigenlijk historische dus, moet in zekere zin tussen haakjes gezet worden door de historiografie.”

De nadruk op beschrijven is doorgeslagen in een speurtocht naar sluitende verklaringen van structurele processen die de loop van de geschiedenis dwingend zouden maken: de geschiedenis had zogenaamd niet anders kunnen lopen. Maar die onvermijdelijkheid moeten we met een korrel zout nemen, zo leren we van het plotse einde van de Koude Oorlog eind jaren tachtig en bij de plotse opkomst van Pim Fortuyn in 2001 en 2002. Immers, vooraf hadden historici en politicologen die gebeurtenissen niet zien aankomen; hoewel we (ook ik bezondig me er veelvuldig aan) achteraf uitstekend uit kunnen leggen waarom ze logisch en zelfs onvermijdelijk waren. Maar ja, achteraf is alles logisch.

Dit soort teleologische verklaringen negeren dat niet alleen structurele ontwikkelingen de geschiedenis voortdrijven. Ook toeval, grote personen en onvoorzienigheden spelen een bepalende rol. De wezenlijke vraag is hoe de structurele omstandigheden en de incidentele keuzes en toevalligheden op elkaar ingrijpen.

Om die vraag te beantwoorden zijn wat als-scenario’s meer dan nuttig. Historici verschillen bijvoorbeeld van mening over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. Volgens sommigen maakten structurele ontwikkelingen (nationalisme, militarisme, autoritarisme, de wapenwedloop en bondgenootschappen) een grote oorlog onvermijdelijk. De Europese grootmachten zouden zelfs uit zijn geweest op een ‘verfrissende’ oorlog. Anderen stellen dat de Eerste Wereldoorlog ondenkbaar was, als de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins Franz Ferdinand niet door de Bosnisch-Servische Gabriel Princip was vermoord. Het was bovendien een moord waarbij persoonlijke keuzes (van Princip) en dom toeval (de chauffeur van de kroonprins was per ongeluk een verkeerde straat ingeslagen en kwam nabij Princip tot stilstand om te keren) een cruciale rol speelden.

In een wat als-scenario kan worden beargumenteerd of de Eerste Wereldoorlog nu wel of niet onvermijdelijk was. Het maakt ook nogal wat uit voor ons beeld van de geschiedenis. De Eerste Wereldoorlog leidde immers tot de Russische revolutie in 1917 en de oprichting van de Sovjetunie, tot de Tweede Wereldoorlog en indirect tot de Koude Oorlog. Maar ook tot de opkomst van de Verenigde Staten en tot vrouwenemancipatie op de arbeidsmarkt. Wat als Franz Ferdinand niet was vermoord? De vraag is niet voor niets de moeder aller wat als-vragen.

Wat als-scenario’s dwingen ons om te beredeneren hoe structurele omstandigheden, persoonlijke keuzes en contingentie op elkaar ingrijpen. Zonder ‘wat als’ blijven onze aannames maar impliciet. Academici stellen overigens duidelijke eisen aan een zinvolle ‘wat als’, om al te vrije speculatie te voorkomen. Ten eerste moet het divergentiepunt, het moment waarop de loop van de geschiedenis verandert, onderbouwd worden: het moet liggen in de mogelijkheden en in belangen van de historische spelers. ‘Wat als Napoleon kruisraketten had gehad’ is de klassieke onzin-vraag. De tweede eis is dat elke vervolgstap moet worden onderbouwd op basis van feiten die bekend zijn uit de werkelijke geschiedenis.

Wat als-scenario’s zijn als spelen met vuur. Ze zijn opwindend om te zien en nog spannender om te creëren, maar eenmaal in gang gezet zijn ze moeilijk in bedwang te houden. Met hun kennis kunnen experts die wat als-scenario’s echter gebruiken met allerlei doelen. Peter Bootsma, onderzoeker van het NIOD-rapport over Srebrenica, zet ‘wat als’-scenario’s in om complottheorieën over Srebrenica onderuit te halen. Kiezersonderzoeker Jean Tillie gebruikt een ‘wat als’-scenario om zijn claim uit te werken dat Pim Fortuyn ondanks zijn dood het beleid van het afgelopen decennium goeddeels heeft bepaald. Anderen stellen ‘wat als’-vragen om de pad-afhankelijkheid van de geschiedenis te beargumenteren, of om witte vlekken in ons collectieve historische bewustzijn in te vullen, of om een theoretisch idee uit te werken.

Op zo’n manier zijn ‘wat als’-vragen niet alleen spannend en onvermijdelijk, maar vormen ze ook een belangrijke correctie op het wat al te deterministische wereldbeeld van politicologen en historici.

Tom van der Meer (1980) doceert politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Tom van der Meer (red.), Wat als... Pim Fortuyn niet was vermoord, Meulenhoff, € 18,95.