Sneller fietsen zónder epospuit

Jonge Nederlanders hebben nu voordeel van het feit dat hun tegenstanders geen epo meer gebruiken.

Het is een prettige gedachte. Maar is het ook waar?

Jonge Nederlandse wielrenners rijden tegenwoordig in de bergen vooraan, omdat hun Spaanse en Italiaanse tegenstanders geen doping meer gebruiken.

Het is een aantrekkelijke gedachte. Ook omdat het de vorige generaties Nederlandse wielrenners vrijpleit van dopinggebruik: zíj werden de afgelopen twee decennia links en rechts voorbijgefietst door collega’s die rood van de epo waren.

Maar is het waar?

In 2008 zijn voor het laatst renners tijdens de Tour op epodoping betrapt. Sindsdien is de gemiddelde snelheid van de winnaar gestaag gedaald: van 40,5 in 2008 naar 39,6 kilometer per uur in 2010.

Voor wielrenners is epo nu de enige makkelijk beschikbare doping met een prestatieverhogend effect. Gendoping opent fantastische mogelijkheden, maar is nog beperkt tot laboratoriummuizen. Verder is het de laatste jaren riskant geworden om een serieuze epokuur te nemen.

Epo zorgt ervoor dat het lichaam meer rode bloedcellen maakt. Die transporteren zuurstof van de longen naar de spieren en CO2 van de spieren naar de longen. Zuurstoftoevoer is de limiterende factor voor een duursporter die goed getraind en gevoed is. Epo helpt dan echt.

Een goede epokuur betekent dat een sporter twee weken lang om de dag een flinke epo-injectie neemt. Dan is epo in urine makkelijk te detecteren. Na die twee weken hoge doses heeft een sporter nog zeker drie weken prestatieplezier van die spuiten. En met een dagelijkse, lage onderhoudsdosering is het effect te rekken. Die lage dosis leidt bij controle eigenlijk nooit tot een dopingovertreding. Dat hebben Deense, Franse en Australische onderzoekers in 2008 allemaal aangetoond.

Epo is riskant geworden doordat dopingcontroleurs tegenwoordig iedere dag op de stoep kunnen staan. Lastig voor epogebruikers is het nu ook voor wielrenners ingevoerde bloedpaspoort. Door regelmatig bloedmonsters te nemen en daarin de leeftijd van de rode bloedcellen te meten is onregelmatige groei van rode bloedcellen (dagelijks worden er in ieder mens miljoenen ververst) te zien. De effecten van epogebruik, bloeddoping en hoogtestage (die is toegestaan) zijn dan zichtbaar.

De maatregelen hebben het gebruik van epo verminderd. Maar verklaart dat het succes van Nederlanders in de bergen?

De kenners werpen tegen dat één supertalent voldoende is om een hele generatie mee te slepen naar succes. Robert Gesink is zo’n supertalent. Hij trapt op de testfiets in het laboratorium een vermogen dat nauwelijks door anderen wordt geëvenaard. En hij heeft zich ontwikkeld tot een perfectionist.

Nog een tegenwerping: die nieuwe lichting Nederlandse wielrenners is geselecteerd tijdens buitenlandse trainingen en jeugdwedstrijden. En daar gaat het bergop.

Dat er een ander type renner wordt geselecteerd zie je meteen: die nieuwe klimmers zijn graatmager. Gesink (1,89 meter lang en 70 kilo zwaar volgens opgave van de Rabobank) heeft een body mass index (BMI), de verhouding tussen lengte en gewicht, van 19,5. Mollema en Ten Dam komen ook niet boven de 20. (Een ‘normale’ BMI ligt tussen 18,5 en 25).

Voor het epo-tijdperk zorgden gespierde bonken als Jan Raas en Gerrie Kneteman voor de Hollandse wielerglorie. Zij konden hard tegen de wind in rijden. Zelfs klassementstoppers als Hennie Kuiper en Joop Zoetemelk hadden vet op de botten.

Raas won graag door in vlakke wedstrijden in de laatste kilometers hard weg te rijden. Tegenwoordig is Cancellara zo’n fietser. Dat is vreemd genoeg een Zwitser, waarbij je klimtalent verwacht. Hij werd er dan ook van beschuldigd een motortje in zijn frame te hebben gebouwd om magisch te kunnen versnellen.

De wielrennerij is vol mythen en geheimen. Het is in ieder geval een prettig idee dat de grote koersen ‘schoon’ zijn en Nederlandse renners nooit de grootste epospuiters waren.