Op elke straathoek een goede espresso

Waarom zou je naar Cluj-Napoca in Roemenië gaan?

Omdat het goedkoop is – én omdat het een bruisende, jonge studentenstad is met een mooie oude binnenstad.

De Lonely Planet waarschuwt voor „Roemeens-Hongaarse spanningen” in Cluj-Napoca, een studentenstad in het noorden van Roemenië. Zo’n 20 procent van de bevolking bestaat uit Hongaren. De regio Transylvanië, waarin Cluj ligt, hoorde eeuwenlang bij Hongarije. Maar na de Eerste Wereldoorlog werd het geannexeerd door Roemenië, wat door veel Hongaren ter plekke nooit helemaal geaccepteerd is. Op een dag werden ze wakker in Roemenië.

Maar als toerist merk je daar weinig van: een toneelstuk in het Hongaars wordt met een beamer Roemeens ondertiteld, en als je naar die veelbelovende koffietent in de Francisc-straat op zoek gaat, staat er op de straatnaambordjes de Ferenc-straat.

„Er is geen echte spanning, er zijn geen vechtpartijen of zo”, zegt de 23-jarige computerprogrammeur Serban Gavrus, een via CouchSurfing.org opgetrommelde gids, „maar ik begrijp de frustratie van Hongaren wel. Zij hebben hier eeuwen geleden mooie steden en een soort Hoge Cultuur opgebouwd, terwijl Roemenen nog een stelletje arme pummels zonder invloed waren. Nu zijn ze in de minderheid.”

We zitten op een terras aan het Muzeului-plein, en daar is goed te zien waar de stad zijn bijnaam ‘Club Napoca’ aan dankt: allemaal nachtleven. Op een donderdag barst het tegen middernacht van jong uitgaanspubliek – naast 300.000 ‘locals’ telt de stad zo’n 100.000 studenten. Serban neemt me mee naar de bomvolle disco Janis aan het centrale Unirii-plein, die ruimschoots voldoet aan diverse Oostblok-stereotypen: goedkope sterke drank, te harde muziek uit 1999 (Man! I feel like a Woman, Mambo #5) en Roemeense varianten van Oh Oh Cherso-personages: spierbundels, kettinkjes, veel gel. „Die heten hier ‘cocalar’”, zegt Serban.

Cluj is een goedmoedige studentenstad en geen intense hoofdstad, en dat vertaalt zich in een matig aanbod aan musea: het etnografische museum biedt een duizelingwekkende hoeveelheid harken, zeisen en manden – netjes gesorteerd en gepresenteerd, maar zonder echt inzicht te bieden in de manier waarop Roemenen eeuwen geleden leefden. Dat geldt ook voor het farmaceutisch museum: veel objecten, weinig uitleg. Onbedoeld komisch is een bezoek aan het Kunstmuseum: als enige bezoeker heb ik de volledige aandacht van twee bejaarde, vrouwelijke suppoosten, die me omringen alsof ik elk moment een mes door één van de stillevens van bloemboeketten zal halen. De houten vloer kraakt onophoudelijk, het is een kabaal waar pas een einde aan komt als ik vertrek.

Overdag is buiten rondwandelen een beter idee. De kleine oude binnenstad vol statige negentiende-eeuwse gebouwen ziet er nog goed uit, en er is een aardige verscheidenheid aan goed onderhouden kerken: de kleine Franciscaanse heeft een kitscherig barok interieur vol pasteltinten en bladgoud, de gotische Sint Michaelskerk is ingetogen versierd met alleen glas-in-loodramen. Architectuur als die van de enorme zwart-witte orthodoxe kathedraal kom je in West-Europa niet tegen.

Veel Roemenen benadrukken graag hun historische culturele (maar wetenschappelijk omstreden) band met de klassieke Romeinen, en het hedendaagse Italië lijkt ook de voornaamste inspiratiebron op culinair gebied. Afhaaltentjes bieden vooral pizza, en een van de duurdere restaurants in de binnenstad, Baccara, biedt geweldige Italiaanse gerechten in een strak wit, modern interieur.

Het meest opvallend is de koffiecultuur: op elke straathoek kun je goede espresso krijgen voor nog geen euro. Een leuk koffiehuis in de binnenstad, Uptown, is voorzien van pop-art-wandschilderingen en alternatief studentenvolk. Een serveerster reageert vriendelijk op mijn vraag of ze ook een grote kop koffie heeft: „Sorry, wij hebben geen americano, we hebben alleen Italiaanse koffie. Een dubbele espresso is het grootste wat we hebben.”

Voor de wat meer alternatieve culturele en uitgaansplekken moet je het centrum uit: het ‘studentengetto’ aan de Piezisa-straat bijvoorbeeld, met terrassen en clubs die feestjes geven met electro, dubstep en andere genres die ze in het centrum niet aandurven. Of de Boiler Club, in de kelder van de creatieve broedplaats Paintbrush Factory aan de Henri Barbusse-straat (met de taxi tien minuten uit het centrum): zo’n honderd lokale hipsters en hiphoppers dansen er op de dj-kunsten van de Spaanse DJ Pimp.

Daarboven, in een voormalige verfkwastenfabriek, zijn verspreid over vier verdiepingen 29 kleine galeries en dans- of toneelgezelschappen gevestigd. Op deze vrijdagavond openen er allerlei exposities en zijn er voorstellingen, en dus is elke gang in het gebouw vergeven van artistiekelingen, lurkend aan halve liters bier.

Het artistieke klimaat in de stad wordt steeds beter, vertelt artistiek leider Mihai Pop van galerie Plan B, onder andere door goede kunstopleidingen, maar lucratief is het nog niet. „Wij verdienen geld met wereldwijde exposities en onze vaste galerie in Berlijn, maar niet hier in Cluj. Er is hier wel een kunstzinnig klimaat, maar geen klimaat van kunst kopen.”

Wat al snel opvalt, is hoe netjes en beschaafd het er aan toe gaat in Cluj: auto’s stoppen voor voetgangers die willen oversteken, taxichauffeurs vragen of het oké is als ze noodgedwongen een blokje om moeten rijden. Er is bijna geen zwerfvuil, iedereen spreekt Engels. Ik vertel aan Calin Poenaru, chef economie van de lokale krant Ziua de Cluj, dat ik iets meer een chaotische heksenketel had verwacht op basis van verhalen over het zuidelijke Boekarest. „Daar is het ook veel hectischer”, reageert hij. „Mensen proberen je op te lichten of te bestelen. Taxichauffeurs roepen naar je, om je naar binnen te krijgen. Ik houd er niet van.” Hij verklaart die tegenstelling, zoals de meeste inwoners die ik spreek, vanuit historisch perspectief: „Zij, de zuiderlingen, hebben altijd behoord tot het Ottomaanse rijk, wij hebben vrijwel altijd behoord tot centraal-Europese rijken als de Hongaren of de Habsburgers. De cultuur is gewoon anders.”

Voor wie toch nog een stukje ouderwetse communistische treurigheid wil meemaken ten slotte deze tip: loop vanuit het centrum de Boulevard Nicolae Titulescu een stukje af en vergaap je aan de uitgewoonde betonnen woonkolossen, met her en der een frivole futuristische versiering. Ga daarna waterige groentensoep en melige, smakeloze aardappelpuree eten bij de gaarkeuken van Hotel Agape, omringd door een overwegend bruin jarentachtigdecor. Genieten geblazen.

Tweede deel in een serie reisreportages, waarvoor verslaggevers van nrc.next naar Europese steden reizen die vanuit Nederland goedkoop bereikbaar zijn.