Kleine broertje

Van al die mensen die zeggen dat internet zo’n rage is, daar krijg ik het heen en weer van. Doe toch gewoon. Elektriciteit is ook een rage. Vreemdgaan ook.

Nee, echt, je komt ze nog elke dag tegen, stukjesproducenten die vinden dat ze hun zegje moeten doen over internet, over google, over “Print is Dead” en over het schokkende feit dat ze een neefje zo grappig over een iPad hebben zien wrijven en er nu misschien ook zelf een gaan aanschaffen. Die gespeelde opwinding is zélf een rage.

Er zit iets bevoogdends aan, of dat hele internet wel weer zal overwaaien. Elke columnist, politicus of commentator moet de digitale wereld even over de bol aaien. ’t Komt allemaal wel goed, jochie, wij zijn er ook nog. Wij houden je keurig in de gaten. Je kunt altijd weer bij ons terecht.

De digitale wereld is er intussen, en trekt zich niets aan van lof of misprijzen, en al helemaal niets van de welwillende juichkreetjes van het papieren volk.

’t Wordt niet alleen voorgesteld als een tweedeling tussen web en papier, maar zelfs als een strijd tussen onbezonnen jeugd en verstandige oudjes. De oudjes zitten in het zadel en kijken vanaf hun paard vertederd neer op het stalen ros, automobiel genaamd. Dat ding moet nog maar eens zien hoe het de jungle doorkomt.

Het wereldwijde web is, nu ja, wereldwijd en iedereen mag en moet daar zijn zegje over doen, recht en plicht en weetjewel, maar nog te vaak hebben mensen alleen de klok horen luiden. Je hóórt aan die middelbare mannen uit de politiek en het bedrijfsleven dat ze geen benul hebben van de omwenteling die plaatshad waar ze bij stonden. Hun opwinding klinkt te kinderachtig. Ze beschouwen de parafernalia van internet als instrumenten die ze kunnen gebruiken als het ze goed uitkomt of iets oplevert, waarna ze zich kunnen terugtrekken in hun gelambriseerde kantoren. Politici moeten op internet ‘aanwezig’ zijn. Bedrijven moeten op internet ‘aansluiten’. Vraag ze niet waarom, het moet. Het tv-journaal moet twitterberichten laten zien om hedendaags te ogen – geklets mag in de mode zijn, zij blijven de jongens van de visualisatie. Nee, elk programma moet nu een twitterhoekje. Zelfs de Knevelbrinkjes van de EO reproduceren op de achtergrond uitvergrote twitterberichten. De Knevelbrinkjes hebben Twitter zoals ze ook Freek de Jonge hebben: Nieuw! Gewaagd! Kunnen christenmensen nog iets van leren! Intussen weet je wat ze denken: dat grappige internet, je blijft ermee lachen.

In die morbide discussie over de literaire tijdschriften formuleerde Henk Pröpper, hoofd van het poliepvormige subsidieorgaan, het vorige week nog zo: voor tijdschriften was ‘een vorm van digitale aanwezigheid essentieel’, wilden ze voor subsidie in aanmerking komen. Een vorm van aanwezigheid! Is internet een eiermandje?

Een vriendinnetje dat je erbij hebt, voor de vrije uurtjes en de spanning?

Hier speelt de gedachte mee dat internet maar een gril is. Dat er nog altijd twee werelden bestaan en dat er maar één kan winnen. Als er in die kringen al serieus naar internet wordt gekeken, dan is het met een blik vol opgeschroefde verwachtingen. Dan schiet men in een kramp.

Misschien bestaan er wel twee werelden en wordt het tijd voor een synthese, samenwerking, finetuning… maar op die manier kom je er nooit. Voorlopig is er nog die bevoogdende toon en dat koesteren van valse tegenstellingen. Voorlopig lijkt de hoop van teveel mensen nog gericht op die ene zonderling die beweert dat de computer, door gebrek aan zeldzame grondstoffen, over twintig jaar niet eens meer zal bestaan.

Voor vele anderen is internet inmiddels, door gebrek aan probleemvormend gelul, onproblematisch. In hun digitale wereld worden revoluties gesmeed, tribunalen opgericht en meesterwerken geschreven, en op een dag zullen de minzame gedogers wakker schrikken.