Is snijden in het parlement wel verstandig ?

Het kabinet wil de Staten-Generaal inkrimpen.

Dat is een gevaarlijk plan. Hiermee beperkt de premier de controle op hemzelf.

In zijn wekelijkse televisiegesprek lichtte premier Rutte afgelopen vrijdag zijn voorstel toe om het aantal Tweede Kamerleden terug te brengen van 150 naar 100 en het aantal Eerste Kamerleden van 75 naar 50. Hoewel het aantal Kamerleden altijd in zekere mate arbitrair is, was het schokkend hoe de premier de vermindering ervan bepleitte.

Dit plan, stelde Rutte, is een onderdeel van het „kleiner maken van de overheid”. Het kabinet was bij zichzelf begonnen – het telt minder ministers en staatssecretarissen dan het vorige kabinet. Nu kan ook het aantal Kamerleden terug.

Hij verantwoordde dit idee verder door te stellen dat hoeveel Kamerleden je ook hebt, ze altijd wel wat te doen vinden. Dat, stelde Rutte, is onwenselijk. De overheid moet zich niet met alles bemoeien. Wie een kleinere overheid wil, moet „de trap van bovenaf schoon vegen”.

De redenering achter dit verder kansloze voorstel is absurd en gevaarlijk. De premier doet alsof de volksvertegenwoordiging eenvoudigweg onderdeel is van de overheid – een uitvoerende bestuursdienst als alle andere. Hij vergeet dat de Eerste en de Tweede Kamer een wetgevende functie hebben namens het volk en dat ze de premier controleren.

Het parlement is de manier waarop de wil van het volk tot uitdrukking komt. Onder het mom van ‘bezuinigen op de overheid’ saneert Rutte de wil van het volk. Hij zegt daarmee: „het volk, dat ben ik”. Hij maakt gelijk ook duidelijk dat hij de rol van het volk deels wil afschaffen. Dit doet denken aan Bertolt Brechts gedicht Die Lösung:

Zou het in dat geval niet eenvoudiger zijn

wanneer de regering het volk ontbond

en een nieuw volk koos?

Ruttes listige gelijkschakeling tussen het krimpen van de regering en van het parlement berust op een denkfout. Het krimpen van de regering betekent een machtsconcentratie bij een kleiner aantal ministers en staatssecretarissen. Het krimpen van de volksvertegenwoordiging betekent een machtsverlies van het parlement en daarmee van het volk.

Nu al is het werk van het parlement zo complex dat Kamerleden minder en minder geïnformeerd zijn. Ze laten zich inpakken door een regering die wordt ondersteund door een bestuursapparaat.

Dat wordt bij een krimpend parlement alleen maar erger. Kamerleden vertonen straks steeds vaker het gedrag van interviewers op televisie. Ze slikken voor zoete koek wat de minister-president zegt, omdat ze te weinig kennis hebben om te begrijpen dat iets fundamenteels op het spel staat als de premier zegt dat de volksvertegenwoordiging bij ‘de overheid’ hoort.

Rutte wil „Nederland teruggeven aan de Nederlanders”, maar doet het tegenovergestelde. De retoriek is populistisch (het gaat om het „schoonvegen van de trap”), maar in dit geval veegt de premier de vloer aan met het volk. Het lijkt zo mooi: bezuinigende politici beginnen bij zichzelf, maar tussen regering en parlement bestaat een fundamentele scheiding die zich niet laat uitgummen door populistische retoriek.

De achterliggende agenda van dit voorstel moet worden gezocht in een beperking van de controlerende rol die het volk uitoefent op de macht. Voor een minderheidskabinet is controle door Kamerleden met dossierkennis op sommige momenten ongetwijfeld lastig en ook al lijkt het daarmee vooralsnog mee te vallen – dat is precies de bedoeling.

De beperking van de macht van het parlement, tegenover de machtsconcentratie van kabinetsleden, is een volgende stap in een beweging om politiek te depolitiseren. Politiek wordt dan ‘bezuinigingen’. Macht wordt bestuur.

Het voorstel tot verkleining van het parlement vergt een Grondwetswijziging en zal het ongetwijfeld niet halen, maar de subtiele gelijkschakeling tussen de volksvertegenwoordiging en een te saneren overheid zegt veel over de ideologie van depolitisering, waarmee het kabinet een politiek voert van desolidarisering.

Willem Schinkel is universitair hoofddocent sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.