Iedere Congolees hier kent mij

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft zijn eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: Kaapstad

07/07/2011. Cape Town, South Africa. Modero Kimasi , a car guard, photographed in Kloof Street in Cape Town, South Africa. Modero is a very popular guard, here is seen chatting to one of his clients, Terry Savage. Photo Lizane Louw

09.36 uur „Wie zo lang meedraait als ik, hoeft niet meer vroeg uit bed”, zegt Modero Kimasi (42). Hij ziet er gebroken uit. Zijn huisgenoten zijn al uren op. Aan het werk, overal in de stad. Als schoonmaker, als bewaker of, zoals Modero, als parkeerwacht.

Met hoeveel mensen hij in huis woont? Geen idee. De bescheiden benedenwoning met kale betonnen vloeren telt acht kamers en in iedere kamer wonen ten minste twee mensen, zegt hij. Ze hebben vier kamers met mensen uit Congo, zoals Modero zelf. Drie met Zimbabweanen en er is zeker één Tanzaniaan. Spullen staan hier nauwelijks. Maar „voor mensen is altijd ruimte”.

Kinderen rennen heen en weer tussen het veiligheidshek aan de straatkant en een grote, donkere keuken, waarin slechts twee ongebruikte elektrische fornuizen staan. Stroom moet in deze buurt vooruitbetaald worden, met een kraskaart van de supermarkt. Maar niemand heeft vooruitbetaald.

Modero neemt een koude douche, poetst zijn tanden en trekt een dikke capuchontrui aan. Op zijn hoofd een pet, daar overheen de capuchon, tegen de regen. Het is winter in Kaapstad, koud en druilerig.

Met een knerpende slag valt het metalen veiligheidshek in het slot.

10.09 Geen land in de wereld waar de kloof tussen arm en rijk zo groot is als in Zuid-Afrika. En wie rijk is, parkeert zijn kostbaarste bezit niet zomaar onbewaakt langs de straatkant. „Zonder parkeerwachters kan dit land niet functioneren”, zegt Modero. Met gebogen hoofd stapt hij door de regen.

Pas om 11.00 uur begint zijn ‘dienst’, zegt hij. In dit werk gaat het zo: als je begint, dan heb je nachtdiensten, in een gevaarlijk uitgaansgebied. Als je al een tijdje meeloopt, kun je veilig in de dagdienst, aan de hippe Kloofstraat in een van de betere wijken van de stad. Daar doet nu een bevriende Congolees de ochtenddienst. „Congolezen domineren de industrie”, zegt Modero met onverholen trots.

We lopen door Salt River, een troosteloze rommelbuurt ten oosten van het rijke centrum. Ooit was dit het industriële hart van Kaapstad. In de pastelkleurige Victoriaanse huisjes tussen de loodsen en fabriekshallen woonden tot enige jaren terug vooral ‘kleurlingen’, mensen die tijdens de apartheid volgens de indeling van de bevolking naar sociale klassen niet wit en niet zwart waren. De laatste paar jaar werd de buurt een toevluchtsoord voor Afrikanen die zich in de grote townships met Zuid-Afrikanen niet meer veilig voelden.

„Ze zeiden dat we hun banen afpakten”, zegt Modero. „En dat is ook zo.”

10.18 Als de motregen een stortbui wordt, schiet Modero een Congolese kapsalon binnen. Op de ‘menukaart’ staan fotootjes van artiesten als Kanye West en Will Smith, stijlvol gekapt. Aan de muur hangen posters met aankondigingen van feesten voor de Congolese gemeenschap in Kaapstad. Modero wijst op een van de posters. ‘Modero Kimasi, Mega Star’, staat er.

11.00 „Maximaal 14 passagiers”, meldt een bordje van de gemeente Kaapstad in het taxibusje van Salt River naar de stad. Maar hoe vol ook, voor een extra forens is altijd plaats. Met regen controleert de politie toch niet. 23 mannen, vrouwen en kinderen bezetten de 14 stoeltjes. Als de schuifdeur bij het Centraal Station openschiet, rolt een dikke mevrouw naar buiten.

11.16 „Te laat, ik weet het. Hoe was je morgen?” We zijn bij Hoërskool Jan van Riebeeck in Kloofstraat. Uit een heuptasje haalt Modero een fluorescerend hesje tevoorschijn. Zonder hesje geen parkeerwachter. De vriend die vanaf vanmorgen acht uur Modero’s werkterrein heeft bewaakt, rolt zijn eigen hesje op en wandelt richting stad. Op de 22 parkeerplaatsen tussen Campstraat en De Lorentzstraat staan nu veertien auto’s.

Nog steeds regent het. De Tafelberg, het mythische decordoek waartegen de Kaapstedelingen hun theater spelen, is door de laaghangende bewolking compleet uit zicht. Modero schuilt onder het afdakje van stomerij Swift.

11.19 „Hello guys, how are you doing?”. Met zangerige vriendelijkheden loopt Modero een stukje op met twee strak gepakte heren die van stomerij Swift komen. Ze houden halt bij een blinkende terreinwagen, een Porsche. Strategisch stelt hij zich op voor de deur van de bestuurder. „Thank you, guys. Have a nice day”, zegt hij door het dichte raampje. Als de motor start, schuift het raampje voor driekwart open. Een hand reikt naar buiten. Modero krijgt geen salaris, zijn inkomen bestaat uit wat automobilisten hem geven. Modero loopt terug naar zijn schuilplaats. Vijf rand: 0,50 euro.

12.06 „Kinshasa is fucked up. Ik ging er naar school en studeerde voor automonteur, ik trouwde er en kreeg een dochter. Maar het leven is uitzichtloos. Op 21 november 1995 vertrok ik van huis en op 1 januari 1996 was ik in Angola. Daar bleef ik drie jaar, maar veel beter was het niet. Het was oorlog en iedereen moest meedoen. Ik wilde niet vechten, dus ik trok verder. Eerst naar Namibië, toen naar Zuid-Afrika. Sinds 1999 woon ik in Kaapstad. Kaapstad is niet fucked up.”

12.26 Als Modero spreekt, kijkt hij steeds spiedend naar iedere beweging in de straat. Niets ontgaat hem. Niet dat er in Kloofstraat overdag zoveel criminaliteit is, maar „je moet oplettend overkomen”, zegt hij. En er op tijd bij zijn als de klanten weer bij hun auto terugkeren.

„Thank you, ladies. Thank you so much.” De muntjes rinkelen in zijn hand.

Een oude vrouw met boodschappentassen sjokt voorbij. Het is juist opgehouden met regenen. De wolken ontsluieren de lager liggende flanken van de berg. „Gaat u naar de supermarkt?” Hij geeft haar een deel van de opbrengst van het eerste uur. „Brood en een stukje kip.”

De dame werkt als huishoudster bij een van de rijke blanke gezinnen in de buurt, denkt Modero. Maar hij kent haar niet. „Oude vrouwtjes kun je vertrouwen”, zegt hij.

13.04 Er is kip en brood.

13.35 Bij Melissa’s Foodshop, de lunchroom naast stomerij Swift, is het spitsuur. Een jongetje dat een paardendeken heeft omgeslagen, staart door de etalageruit naar de etende mensen. Hij houdt een papieren bekertje omhoog. Modero volgt hem op afstand.

13.39 Een bestelautootje met de tekst ‘Support Crime Prevention’ rijdt voor. Twee gespierde mannen in uniform pakken het spartelende jongetje bij de armen en zetten hem in de wagen. Modero moet erom lachen en complimenteert de kleerkasten. Ook Congolezen. Modero: „Die jongen is een skelm, zoals ze hier zeggen. Straatkinderen zijn gevaarlijk. Die proberen auto’s open te breken en radio’s te stelen. Het is ook in mijn belang dat alle veiligheidsdiensten hier goed samenwerken.” De skelm wordt een paar kilometer verderop afgezet, zegt een van de kleerkasten. „We hebben de opdracht hem uit dit gebied te verwijderen.”

15.04 Een Mini Cooper met twee hoogblonde vrouwen maakt een vreemde draai bij het inparkeren. Modero snelt toe en geeft instructies. „Hello ladies.” De vrouwen maken een praatje. „Dit zijn mijn vrienden”, zegt Modero. „Ze komen hier altijd en kennen mijn naam.”

Hij krijgt een hand vol kleingeld. De muntjes van 5 cent haalt hij er uit. „Die hoef ik niet”, fluistert hij. Hij legt ze in keurige stapeltjes op het muurtje van Hoërskool Jan van Riebeeck. De bewaker van de school, een Zuid-Afrikaan die in dienst is bij een groot beveiligingsbedrijf, krijgt alle stuivers, zegt Modero. „Je moet Zuid-Afrikanen te vriend houden.” Bovendien vult de bewaker driemaal daags Modero’s waterflesje. „Je hebt elkaar nodig op de straat.”

15.47 De witte Toyota die hier al de hele ochtend geparkeerd stond, draait weg. Modero blijft stokstijf staan. „Zwarte Zuid-Afrikanen”, zegt hij. „Die geven toch niets.”

16.05 „Natuurlijk denk ik vaak aan mijn dochter. Maar als ik hard werk, dan kan ik iedere maand duizend rand sturen. Ze is zestien nu en doet het goed op school. Morgen bel ik om de examencijfers te bespreken. Ook mijn moeder krijgt geld. In Congo is helemaal niets. Als parkeerwachter in Kaapstad kan ik genoeg verdienen om haar te onderhouden. Maar uiteindelijk wil ik in Europa doorbreken met de band. Ik ben zanger, en iedere Congolees in Kaapstad kent me. Dat weten maar weinig mensen die me hier als parkeerwachter zien, maar dat vind ik niet erg. Uiteindelijk zullen ze me leren kennen. Ik kan pas dood als ik wereldberoemd ben.”

17.00 132 rand.