De wraak van de mondige massa

In 1952 organiseerde de Europese Beweging in Bolsward en Delft een proefreferendum, waarin de bevolking werd gevraagd of zij voor of tegen een verenigd Europa was. In beide steden was een grote meerderheid vóór. Zouden die meerderheden ook zo groot zijn geweest als vervolgens gevraagd zou zijn geweest: accepteert u ook alle consequenties van uw instemming met het idee van een verenigd Europa, bijvoorbeeld een Europees leger met Duitse officieren – het was zeven jaar na de Duitse bezetting – of een miljardenlening aan een Europese partner die u belazerd heeft?

Maar de politieke elite (in de neutrale betekenis van het woord) zag in de grote meerderheden die het referendum had opgeleverd, een bevestiging van haar eigen Europese idealisme. Dat is jarenlang zo doorgegaan. Nog in 1976 zei Jan Pronk (PvdA), toen minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl: „De hoofdstroming in Nederland is: doorgaan met de Europese integratie, dan komt het allemaal wel goed. Een heel kleine stroming, waar ik bij hoor, zegt: je moet een voorwaardelijk Europees beleid voeren.” (Zo dacht Den Uyl er zelf overigens ook over).

Pronks observatie was juist. Europa was decennialang geen punt van discussie. Bij gebrek aan oppositie of zelfs vragen werd Nederlands Europese politiek uitgemaakt door de hoofdstroming in de politiek, die dacht op dit punt het hele volk te vertegenwoordigen. Pas later zou blijken dat zij door dit gebrek aan discussie op een verkeerd spoor was geraakt. Het neen van 2005 tegen de Europese Grondwet kwam voor haar als een volslagen verrassing.

Ik moest hieraan denken toen ik in het boekje Op drijfijs: over het functioneren van de rechtstaat, dat de vicepresident van de Amsterdamse rechtbank W. van Bennekom vorig jaar bij uitgeverij Cossee uitgaf, het hoofdstuk over Europa als rechtstatelijk probleem las. Ook hij constateert, wat Europa betreft, het „absenteïsme van de massa’s”. „Verder dan belangstelling van de portemonnee heeft de belangstelling nooit bestaan.” En thans blijkt dat „wij steeds meer vanuit Brussel en Luxemburg worden geregeerd dan vanaf het Binnenhof (...) zonder dat de meesten van ons, hoogopgeleiden niet uitgezonderd, dat regime werkelijk kennen en doorgronden”.

Moeten we de politici daar een verwijt van maken? Hadden ze dan hun eigen oppositie moeten creëren? Dat is van een politicus toch wat te veel gevraagd. Het punt is dat er in Nederland nooit veel belangstelling heeft bestaan voor fundamentele politieke discussie. Want wie over politiek spreekt, spreekt over macht, en macht is, zo hebben we geleerd, vies of zondig. De discussie ging daarom liever over ethische of morele vraagstukken.

Maar dat betekent wél dat de politici, enkele uitzonderingen daargelaten, nooit de vraag hebben gesteld naar de democratische legitimatie van het weglekken van soevereiniteit naar Europa. Toen VVD’er Frits Bolkestein hierover anderhalf jaar geleden in onze krant een artikel schreef, ontstond er geen brede maatschappelijke discussie. Terecht vraagt Van Bennekom zich af „of het ons wel interesseert wat we in het verleden aan soevereiniteit uit handen gaven”.

Maar niet alleen de politici zijn schuldig. Al in 1963 overwoog het Europese Hof in Luxemburg dat de Europese Gemeenschap (zoals de Europese Unie toen nog heette) „in het volkenrecht een rechtsorde vormt ten bate waarvan de staten, zij het op beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd”. Luuk van Middelaar noemt dit arrest in zijn alom – ook door mij – geprezen boek De passage naar Europa (2009), een „coup”, een „bluf”, een „gok”. Rechterlijke legitimatie, maar ook democratische?

Achteraf zijn we allemaal wijs, kunnen we dus gemakkelijk zeggen dat het te voorzien was dat dit proces zich tegen zichzelf zou keren. Het wreekt zich nu dat het Europese idealisme – dat overigens in elk land zijn eigen, nationale gronden had – altijd tot een elite beperkt is gebleven. Nu de massa’s mondiger zijn geworden en ook het economische tij is gekeerd, laat zich oppositie horen. Haar geluid is niet altijd prettig, ja vaak primitief, maar daarom ook ondemocratisch?

Dit artikel begon met een uitspraak van Pronk uit 1976. Laat ik met een andere uitspraak van hem, nu uit 2011, eindigen – hoewel zij niet met ‘Europa’ te maken heeft. Na de rechterlijke uitspraak dat Nederland aansprakelijk is voor de moord op althans drie moslims in Srebrenica, zei hij dat de politici van toen, „onder wie ikzelf”, verantwoordelijk waren voor het doen en, in dit geval, laten van de Dutchbatmilitairen. Inderdaad, de politiek had die militairen, te licht bewapend, gestuurd naar een plaats waarvan zij wist (of althans kon weten) dat die niet te verdedigen was. Ook hier werkte idealisme als boemerang, want nu is er weinig geestdrift meer voor zulke missies.