Boten in de stad

Het was uit, maar de laatste tijd worden steeds gebouwen in de vorm van schepen ontworpen, sommigen supersonisch, als jachten van oliesjeiks.

Het cruiseschip, zo werd het nieuwe belastingkantoor in Groningen genoemd zodra het uit de steigers was. De bijnaam ligt voor de hand. Zeker van ver is het alsof het nieuwe witte kantoor op het punt staat weg te varen van de omringende bruinige betondozen uit de jaren zeventig. Het door Ben van Berkels UN Studio ontworpen kolossale gebouw lijkt sprekend op zo’n nieuwerwets cruiseschip waarop zo veel mogelijk hutten op elkaar zijn gestapeld. Zo lomp als een potvis op het droge is het: hoewel het nieuwe kantoor met 92 meter nu het hoogste gebouw van Groningen is, is het een toren die maar geen toren wil worden.

Het is niet alleen de potvisvorm die de associatie met een cruiseschip oproept. Ook de bandramen, de kleur – uniform wit – en, vooral, de gevelbekleding doen dat. De vinvormige, in breedte variërende banden die om het gebouw heen zwieren tref je ook wel aan bij de achterkanten van cruiseschepen.

Het Groningse belastingkantoor staat niet op zichzelf: het schip is terug in de architectuur. De laatste jaren zijn verschillende gebouwen in Nederland opgeleverd die doen denken aan schepen. Een schip in embryonale vorm is bijvoorbeeld Mahler 4, een ook door UN Studio ontworpen kantoor aan de Zuidas in Amsterdam. Ook dit is een toren die geen toren wordt, met dikke en op sommige plekken gebogen witte banden rondom. Er tegenover staat New Amsterdam, een woontoren uit 2008 van Branimir Medic en Pero Puljiz van de Architekten Cie. Hiervan lijkt het bovenste, vanaf de grond bijna onzichtbare want terugwijkende bovenste deel sprekend op de achterkant van een hedendaags cruisechip. Over de inspiratie voor het bovenstuk doen Medic en Puljiz niet geheimzinnig. In hun boek Different Repetitions hebben ze in de toelichting op hun ontwerp naast de tekening van New Amsterdam een foto van de achterzijde van een cruiseschip gezet.

Of neem het nieuwe hoofdkantoor van de firma Decos in Noordwijk. De ontwerpers zelf, INBO architecten, noemen het een ingeslagen meteoriet, maar het is meer een supersonisch modern jacht zoals oliesjeiks dat graag laten bouwen. Iets minder letterlijk een schip is de Witte Kaap, een nieuw, groot woongebouw van Claus en Kaan architecten in de Amsterdamse Vinex-wijk IJburg. Vooral de ronde strijkijzerzijde roept hier ‘nautische associaties’ op, zoals in het nieuwste Jaarboek voor de Nederlandse Architectuur al werd opgemerkt. De scherpe, één verdieping hoge driehoek die ervoor is gezet, doet denken aan de boeg van een schip dat zich een weg ploegt door de straten van IJburg.

De huidige hausse aan scheepsarchitectuur herinnert aan de begindagen van het Nieuwe Bouwen, nu bijna een eeuw geleden. Nieuwe Bouwers zagen toen in het passagiersschip een voorbeeld voor de vernieuwing van de architectuur. In zijn beroemde boek Vers une architecture uit 1923 wijdde Le Corbusier, dé architect van de twintigste eeuw, er onder de titel ‘Ogen die niet zien’ een heel hoofdstuk aan. „Degenen die passagiersschepen bouwen, creëren paleizen, waarbij kathedralen in het niet vallen: en ze laten ze nog te water ook”’, schreef Le Corbusier jubelend in dit hoofdstuk waarin ook een van de beruchtste citaten uit de architectuurgeschiedenis staat: „Een huis is een machine om in te wonen.”

De Nieuwe Bouwers verheerlijkten het passagiersschip als een voorbeeld van functionele vormgeving waaraan niets te verbeteren viel. Maar de toenmalige passagiersschepen zagen er heel anders uit dan de huidige – blijkbaar viel er in de loop van de 20ste eeuw nog heel veel aan te verbeteren. Vergeleken met de cruiseschepen van nu was bijvoorbeeld de Paquebot France die in Vers une architecture staat afgebeeld een rank passagiersschip, dat slechts voor de helft was volgezet met lage bebouwing en uitgerust met vier naar achteren buigende schoorstenen – onnodig maar wel dynamisch.

Sinds Le Corbusier is het schip nooit helemaal verdwenen uit de architectuur. In elk decennium van de twintigste eeuw dook ergens op de wereld wel scheepsarchitectuur op. Le Corbusier zelf bijvoorbeeld bouwde in de jaren vijftig in Marseille en andere steden Unités d’Habitation, grote betonnen flats op poten met een schoorsteen en andere opbouwen die het dak het silhouet van een schip gaven.

Maar zo veel scheepsarchitectuur in zo korte tijd als nu in Nederland is gebouwd is ongekend. De terugkomst van het schip in de architectuur is des te opmerkelijker omdat twintig jaar geleden juist het einde ervan werd voorspeld. „Tegenwoordig is de vormgeving van schepen een zaak van specialisten met nauwelijks nog impact op het grote publiek of op kunstenaars en architecten”, schreef Paul Groenendijk in 1989 in het boek Scheepsarchitectuur dat bij een gelijknamige tentoonstelling hoorde in het Maritiem Museum in Rotterdam. „Het schip heeft als object geen impact meer.” Als oorzaak hiervan gaf Groenendijk dat de met hutten volgestouwde cruiseschepen aan het einde van de twintigste eeuw veel meer leken op gebouwen dan aan het begin.

Twintig jaar later blijkt hij zich te hebben vergist. Juist omdat schepen varende gebouwen zijn geworden, was het heel eenvoudig om ze om te zetten in architectuur. Zo is, bijna een eeuw na Vers une architecture, Le Corbusiers ideaal verwezenlijkt: schepen en gebouwen zijn één geworden.