Arts moet mensen vaker vragen naar kanker in familie

Huisartsen moeten iedere vijf à tien jaar met hun patiënten bespreken welke kanker er in hun familie voorkomt. En of het zin heeft zich daarop te laten onderzoeken. Dat adviseren Amerikaanse onderzoekers die zagen dat in de loop van iemands volwassen leven steeds vaker de conclusie is dat een bepaalde kanker ‘in de familie’ zit.

Die toename is vaak fors. Van de 30-jarige vrouwen heeft bijvoorbeeld één op de 14 borstkanker in de familie. Op hun 50ste is dat gestegen tot één op de 9. Dat komt doordat in die twintig jaar borstkanker bij meer familieleden is opgedoken. Voor darmkanker zagen de onderzoekers een toename van 2,1 procent naar 7,1 procent tussen de leeftijd van 30 en 50 jaar. De resultaten zijn gisteren gepubliceerd in het Journal of the American Medical Association.

Iemands kankerfamiliegeschiedenis is belangrijk omdat screenen op een bepaalde kanker dan eerder, vaker en vaak op een andere manier kan gebeuren. Vrouwen met genetisch vastgestelde borstkanker in de familie kunnen in Nederland hun borsten bijvoorbeeld vanaf hun25ste jaarlijks met MRI laten onderzoeken. Dat geeft geen belasting met röntgenstraling en is nauwkeuriger.

In de Verenigde Staten beveelt een federale instelling voor kwaliteit van de gezondheidszorg aan dat huisartsen van iedere patiënt een gedetailleerde kankerfamiliegeschiedenis bijhouden. In Nederland is dat nog geen gewoonte. Wel bevelen kankerbehandelende artsen hun patiënten vaak aan tegen hun kinderen te zeggen zich te laten screenen, als uit een gesprek of genetische test blijkt dat die kanker ‘in de familie’ zit. Maar familiekankers worden toch nog vaak gemist, ook omdat bij de generaties die de nu levende ouderen vooraf gingen, de artsen het soort tumor vaak niet goed konden bepalen. Vooral bij een uitgezaaide kanker was dat vaak moeilijk vast te stellen.