Sorry dat dat standbeeld hier toch blijft

De gemeenteraad van Hoorn debatteerde gisteravond over het beeld van Coen. Moet daar niet een plaquette bij die zijn wandaden uitlegt? Of liever een glazen constructie met sokkelcommunicatie?

Nederland, Hoorn, 31 juli 2003 Centrum van Hoorn. Plein Michiel Wijnbergh/Hollandse Ho>

Zo diep verdeeld als Hoorn de laatste tijd leek over het beeld van de beroemdste zoon van de stad, Jan Pieterszoon Coen, zo eensgezind besloot de gemeenteraad gisteren zijn standbeeld te laten staan. Nu is het tijd voor ‘sokkelcommunicatie’ om toeristen duidelijk te maken hoe kwaadaardig Coen eigenlijk was.

Met een strenge blik, gekrulde snor en gebalde vuisten torent J.P. Coen sinds 1893 uit boven de terrassen van het centrale plein Roode Steen in Hoorn. Dat leidt volgens gemeenteraadslid Arthur Helling (D66) regelmatig tot gênante situaties voor inwoners. „Iedereen die wel eens op het plein staat, heeft meegemaakt dat hij door toeristen wordt aangesproken met de vraag wie die man eigenlijk was. Nou, dat leg je niet in een paar woorden uit.”

De paar woorden die nu op zijn voetstuk staan, beschrijven Coen (1587-1629) als gouverneur-generaal van de VOC en stichter van Batavia, het huidige Jakarta. Dat klopt, maar Coen was ook verantwoordelijk voor de volkerenmoord op de Banda-eilanden waarbij in 1621 zo’n 14.000 mensen omkwamen die het nootmuskaatmonopolie van de VOC hadden willen doorbreken.

Jan Pieterszoon Coen was de Mladic van zijn tijd, volgens de indieners van een burgerinitiatief dat gisteren in de gemeenteraad van Hoorn werd behandeld. Zij riepen op het beeld te vervangen door dat van een inwoner van Hoorn die het wél verdient en Coen te verplaatsen naar het Westfries Museum.

Natuurlijk was Coen „geen lieverdje”, „een boef” of zelfs „een genocidepleger”, beaamden de lokale politici gisteren. Maar het ging hun, op twee na, te ver om het beeld van zijn sokkel te trekken. „Wij moeten in Hoorn met ons verleden leven”, zei CDA-fractievoorzitter Johan van der Tuin. „Als we alles wat in deze stad met de VOC te maken heeft verwijderen, hebben we nog heel wat panden te slopen.” Om nog maar niet te spreken over bijvoorbeeld de J.P. Coenstraat en de Coentunnel.

De ‘slachter van Banda’ mag dus blijven staan, maar moet „in zijn historische context” worden geplaatst. En daarover willen de gemeenteraadsleden nog wel even blijven steggelen de komende tijd. Want moet er, zoals het college van B en W wil, een bescheiden plaquette bij het beeld komen die uitlegt wie Coen was en waarom het tijdens het imperialisme van de late negentiende eeuw een goed idee leek deze man zo’n prominente plek in de stad te geven? Of moet er een glazen constructie met ‘sokkelcommunicatie’ in diverse talen worden opgetuigd, zoals raadslid Helling van D66 voorstelt?

Over dat laatste is Eric van de Beek, de indiener van het burgerinitiatief om Coen van het plein te verbannen, niet te spreken. „Die sokkelcommunicatie is toch een schaamlap extra large waarmee we nog meer aandacht vestigen op de wandaden van deze man?” zegt hij. „Daarmee zeggen we: sorry dat dat beeld hier staat, maar we hadden de ballen niet om het weg te halen.”

Na de zomer moet het college de raad zowel een bescheiden als een grootschalig plan presenteren en daarbij vooral goed nadenken over het gebruik van sociale media. Want de gemeenteraad wil dat toeristen met hun mobiele apparatuur via internet geïnformeerd kunnen worden over de handel en wandel van Coen. Dat biedt niet alleen de mogelijkheid om iedereen in zijn eigen taal te voorzien en pagina’s lang over Coen uit te weiden, maar ook om de geschiedenis telkens opnieuw te herschrijven.

Ook de beslissing om het bronzen beeld te behouden, is misschien maar een voorlopige. „Van ons mag het blijven staan”, zei Joke van Diepen van de Seniorenpartij, wier zwager nog als provo het beeld bekladde. „Tot een volgende generatie weer bedenkt dat het anders moet.”