NRC-medewerker zat urenlang in Syrische cel

Na ruim drie maanden voor deze krant anoniem verslag te hebben gedaan van de protesten in Syrië, is Maarten Zeegers maandag naar Turkije uitgewezen. „Nederlander. Melden.”

Door de getraliede ramen van de politiebus schiet Damascus voorbij. Het treinstation uit de negentiende eeuw, de muren van de oude stad, de imposante citadel van de Arabische held Saladin. Het zullen mijn laatste beelden zijn van de stad waar ik de laatste tweeëneenhalf jaar heb gewoond en gestudeerd.

Voor mij houden twee bewakers de gevangenen nauwlettend in de gaten. Achter mij op de bank zit een Saoedische drugsgebruiker vastgeketend aan een Iraniër met daar weer achter twee Iraakse straatvechters. Weggedoken op de achterbank maakt een illegale prostituee uit Indonesië ons gezelschap compleet; ongewenste vreemdelingen, niet langer welkom in Syrië.

Ik laat een verscheurd land achter, hopeloos verdeeld tussen voor- en tegenstanders van het regime. Arme sunnieten eisen het vertrek van het regime. Religieuze minderheden en de rijke middenklasse hebben zich achter de president geschaard uit angst voor islamitische overheersing. Het is nog onduidelijk wat de toekomst van Syrië zal worden.

Het verzet tegen het regime van president Bashar al-Assad begon hier in Damascus. Aangemoedigd door volksopstanden in Tunesië en Egypte onderbraken activisten in de Grote Moskee van Damascus, een historisch gevoelige plek, het vrijddaggebed om te betogen voor meer vrijheid. Onmiddellijk werd duidelijk dat het regime niet van plan was om aan deze roep om vrijheid gehoor te geven. De activisten in de moskee werden ingerekend, in elkaar geslagen en afgevoerd door de opeens overal aanwezige veiligheidsdienst.

Ondanks bruut tegengeweld breidde de opstand zich uit. Eerst naar de voorsteden van Damascus en vervolgens over het hele land. Tijdens demonstraties in zo’n voorstad, Arbin, zag ik hoe veiligheidsagenten het vuur openden op demonstranten. Daarbij vielen vier doden. Een vriend werd door een kogel in zijn buik geraakt en afgevoerd naar het ziekenhuis waar inwoners een menselijke keten vormden om te voorkomen dat de veiligheidsdienst de gewonden zou afvoeren.

Enkele weken later omsingelden leger en veiligheidsagenten in burger op vrijdag het centrum van het stadje op jacht naar demonstranten. Ternauwernood wisten een vriend en ik aan arrestatie te ontkomen door ons in een winkel te verstoppen. Op brommers wisten wij het gebied uit te komen. Ik deed anoniem verslag van de gebeurtenissen. Anoniem, aangezien buitenlandse journalisten niet in Syrië worden toegelaten. Zo hoopte ik de Syrische veiligheidsdienst te ontlopen.

Maar bij het verlengen van mijn verblijfsvergunning gaat het mis. De dienstdoende agent verzoekt mij om even te gaan zitten. Vervolgens verlaat hij de kamer met de woorden: „Er is niets aan de hand hoor, waarschijnlijk gewoon een vergissing.” Op een papiertje dat de man voor zich op zijn bureau heeft laten slingeren staat echter onder mijn naam gekrabbeld: ongewenst vreemdeling, verblijfsvergunning ingetrokken. Als de agent terugkomt, slaat hij me in de boeien. Ik word in een legerjeep gestopt en met hoge snelheid afgevoerd naar een speciale gevangenis voor criminelen met buitenlands paspoort.

De gevangenis is een ruimte onder de grond in het centrum van de stad. In vier cellen van twintig vierkante meter liggen of zitten gevangenen verveeld voor zich uit te kijken. Een Palestijn zonder bewijs veroordeeld voor drugs, een Algerijn gearresteerd in gezelschap van zijn neef die in het bezit was van vals geld, en een Jemeniet toevallig op bezoek bij zijn zus in de Syrische stad Homs net toen daar protesten uitbraken. Sommigen zitten hier al maanden zonder enig uitzicht op vrijheid, omdat zij niet over financiële middelen beschikken voor de terugreis, of omdat hun ambassade niets voor hen doet. „Maak je niet ongerust”, zegt een Palestijnse illegaal uit Gaza. „Als je over een Europees paspoort beschikt ben je zo weer vrij. Om Palestijnen bekommert niemand zich.”

Om tien uur roept een bewaker van de gevangenis: „Nederlander. Melden.” Vrienden hebben met hulp van de Nederlandse ambassade een vliegticket kunnen regelen, bestemming Istanbul. Een politiebus brengt me samen met andere gevangenen naar het vliegveld.

Door rumoer in de politiebus schiet ik wakker uit mijn gedachten. Een bewaker die zich op de achterbank naast de Indonesische prostituee heeft genesteld, wordt handtastelijk. De vrouw sputtert tegen. Een andere bewaker roept zijn collega tot de orde en er ontstaat een woordenwisseling. „Die man is schrijver”, zegt hij terwijl naar mij wijst. „Straks schrijft hij nog dat we vrouwelijke gevangenen aanranden. Alsof ze in de internationale media al niet genoeg leugens over ons verspreiden.”

Maarten Zeegers (29) studeerde islamitisch recht aan de Universiteit van Damascus en schrijft een boek over Syrië.