Martelaarsparadijs

Sinds Johnny Hoogerland als een doekje aan het prikkeldraad hing is de nieuwsgierigheid naar de pijngrens van wielrenners enorm toegenomen. Iemand belde me op en riep: „Op de foto zie je zo een pees liggen, toch stapt hij gewoon weer op.” Waarop ik antwoordde: „Maar die pees leek me nog perfect intact”.

Als Johnny die pees van hemzelf had zien liggen had hij waarschijnlijk niet om een nieuwe koersbroek gevraagd om zijn weg te vervolgen.

De wonden van Johnny zijn nu al een klassieker.

De dag na het gruwelijke ongeval staarden Johnny’s blote billen me aan via de voorpagina van mijn ochtendblad. Op een of andere manier vond ik het niet netjes van Johnny zichzelf zo aan de wereld te presenteren. Gelukkig ontbrak een tatoeage. Ik zag behalve de openliggende pees achter de linkerknie diepe inkepingen in dijbeen en bil waaruit in een mooi grafisch patroon het bloed de wetten van de zwaartekracht respecteerde.

Hoogerland woont nu in een martelaarsparadijs waar een pelotonnetje maagden in bolletjestrui op instructies wacht. Voor die maagden heeft hij voorlopig geen tijd, de Tour is pas halfweg. Maar Johnny is een harde. Het zal me niet verbazen wanneer hij zijn doelstelling (Parijs halen) op zekere dag ombuigt in een aanvalsactie.

Wielrenners vallen, en ze staan weer op. Ze moeten wel. Wie te lang draalt mist de bus. Verwondingen worden in vliegende vaart behandeld aan de auto van de rondedokter. Een wissel zoals in het voetbal is helaas uitgesloten. Blijft er eentje op het asfalt zitten dan weet je: daar is echt wat aan de hand.

Ik denk terug aan een andere keiharde coureur. De Tour van 1985 was het. In de doucheruimte van een internaat ergens in het Centraal Massief staat verzorger Ruud Bakker met een nagelborsteltje kiezelsteentjes en teer uit de heup van Eric Vanderaerden te schrobben.

Het dierlijke geschreeuw galmt nog na in mijn hoofd. Wondkoorts weerhield hem er overigens niet van een week later de etappe naar Bordeaux te winnen.

Vanderaerden was ook de bikkel die tussen twee onderdelen van een zesdaagse een wrat van zijn geslacht liet knippen. Een heel rolletje verband moest erom om de bloeding te stelpen.

De laatste dagen moet ik ook onophoudelijk denken aan de renner die in de Tour voor de bollen zou zijn gegaan. Mauricio Soler brak in de Ronde van Zwitserland zijn schedel. Intussen is hij bij bewustzijn, maar praten lukt nog niet. Het gerucht gaat dat hij eerst weer op zijn fiets is gezet, om er een eindje verder voorgoed af te vallen.

En van Soler daal ik verder af naar Carlo Tonon, de Italiaanse knecht die in 1984 in de smalle afzink van de Col du Joux-Plane op een toeriste botste, en als geestelijk gehandicapte werd afgevoerd.

„Ze zeggen dat hij zich rond het middaguur heeft verhangen in een schuur”, dichtte Albert Megens later.

In 1996 werd de pijn hem inderdaad te groot.