Historiografie op de sokkel

Ex-premier Balkenende was warm pleitbezorger van de mentaliteit van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Hoorn heeft juist een negatief oordeel over de bekendste gouverneur-generaal die de VOC tussen 1602 en 1799 heeft gehad: stadgenoot Jan Pieterszoon Coen.

De gemeenteraad van Hoorn heeft gisteren vergaderd over het standbeeld van Coen dat al sinds 1893 in het centrum van de havenstad staat. Dat kon zo niet langer, vond een burgerinitiatief dat last kreeg van een bezwaard gemoed en pleitte voor verwijdering van het standbeeld.

Dit ging de raad te ver. Terecht. Het is geen toeval dat de methode om de geschiedenis via topografie, standbeelden of foto’s naar de waan van de dag te retoucheren, vooral populair was in communistische en postcommunistische landen. Steden die, zoals Tsaritsyn, naar Stalin waren vernoemd, werden na diens ontluistering in 1956 herdoopt. Rybinsk aan de Wolga is tussen 1945 en 1990 zelfs vijf keer om politieke redenen van naam veranderd: Rybinsk, Tsjerbakov, Rybinsk, Andropov en weer Rybinsk.

Standbeelden zijn in de hele voormalige Sovjet-Unie onderwerp van politiek debat. Zo besloot Estland in 2007 om de Bronzen Soldaat als symbool van de Sovjetbezetting uit Tallinn te verplaatsen. Het werd omgedoopt van ‘monument voor de bevrijders van de Duitse fascistische agressoren’ in een ‘monument voor de gevallenen tijdens de Tweede Wereldoorlog’.

Niet alleen dictaturen passen de standbeelden van hun verleden zo aan de actuele opportuniteit aan. Nederland heeft het ook gedaan. Denk aan de Stalinlaan en het Pretoriusplein in Amsterdam. Die werden na de Sovjet-inval in Hongarije in 1956, waaraan Stalin (1878-1953) toch echt part noch deel had gehad, respectievelijk in 1978 tijdens het Zuid-Afrikaanse apartheidsbewind herdoopt in Vrijheidslaan en Steve Bikoplein.

Voor de historiografie (geschiedenis van de geschiedschrijving) zijn dit soort symbolische daden treffende details. Maar veel wijzer over het verleden worden we er niet van. Het neerhalen van het standbeeld van Coen in Hoorn zou dan ook vooral een staaltje geschiedsontkenning zijn geweest die het historisch besef niet bevordert maar ondermijnt.

De ruige VOC’er staat daar al een eeuw in de binnenstad. Dat zegt iets over het koloniale Nederland van toen. Hoorn heeft gelukkig besloten alleen de sokkel van een andere tekst te voorzien, die iets zegt over de ideeën die nu dominant zijn en dus kritischer zal zijn dan de huidige, die alleen meldt dat Coen de grondlegger is van het huidige Jakarta.

Maar ook die beoordeling kan weer veranderen. Het bijpunten van de tekst was het enige verstandige compromis dat in het plots principieel beschaamde Hoorn denkbaar was. In Coens woorden: „dispereert niet”.