Gênant: minderjarigen harder straffen

Staatssecretaris Teeven (VVD) verhoogt de minimumstraf voor jongeren van zestien en zeventien. Hij negeert bewust alle onderzoeken. Die wijzen uit dat dit contraproductief is, stellen vier hoogleraren.

Wesley van zestien jaar doet het helemaal niet gek op het vmbo. Toch rooft hij een tasje bij een oudere dame. Ze komt heel ongelukkig ten val en heeft nu last van geheugenverlies en concentratiestoornissen.

Wesley heeft ADHD. Hij gaat voor spanning en sensatie. Hierdoor heeft hij voortdurend aanvaringen met zijn leraren. Hij blowt ’s avonds om de slaap te vatten.

Wesley komt uit een druk gezin. Zijn vader heeft mogelijk ook ADHD. De willen graag helpen om dit gedrag in de toekomst te voorkomen. Ze kunnen geregelde bezoeken alleen niet financieren, de jeugdinrichting is te ver.

Wesley weet precies wat er is gebeurd en wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht. Vanwege ernstige gevolgen van de roof krijgt hij langdurige jeugddetentie opgelegd.

In de jeugdinrichting waar hij terechtkomt, verveelt Wesley zich. Hij kan niet op zijn niveau voetballen. Door de verveling en stress rookt hij meer wiet. Dat levert hem straf op. Hij kijkt erg op tegen de jongens die een bankoverval hebben gepleegd.

Na enige maanden verliest hij het contact met zijn grootouders. Hij mag niet mailen en kaartjes terugschrijven is voor hem te veel gedoe. De reclassering in zijn woonplaats heeft contact opgenomen met de inrichting. Over enkele maanden zullen ze voor het eerst overleggen.

Wesley is een van vele risicojongeren die, als het aan dit kabinet ligt, veel harder zullen worden aangepakt dan tot nu toe het geval was. Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft eind vorige maand een majeure verandering aangekondigd van het jeugdstrafrecht. Hij wil voorkomen dat jongeren die een dergelijk delict plegen, kunnen wegkomen met een taakstraf.

Daarbij laat Teeven het niet. De maximumstraf voor zestien- en zeventienjarigen wordt van twee naar vier jaar verhoogd. Ook wil hij een ‘strafdienstplicht’ invoeren.

Teeven spreekt van een nieuw in te voeren ‘adolescentenstrafrecht’. Gezegd moet worden dat zijn voorstellen voor jongeren van 18 tot 23 jaar een stap vooruit inhouden. Voor zestien- en zeventienjarigen betekenen zij daarentegen een enorme verzwaring. Wij hebben twee vragen.

1Wat maakt een dergelijke verharding tegenover minderjarige daders noodzakelijk? Teeven blijkt zelfs geen poging te doen om aannemelijk te maken dat daarvoor dringende redenen zouden zijn.

Eerder dit jaar werd in een rapport van de onderzoeksafdeling van zijn ministerie geconstateerd dat de criminaliteit onder minderjarigen en jongvolwassenen licht is afgenomen. De politie en rechtbanken constateren een afname van het aantal jeugdige daders. Zes justitiële jeugdinrichtingen zijn inmiddels gesloten, wegens gebrek aan delinquenten. Ook het onderzoek onder slachtoffers laat zien dat Nederland veiliger is geworden.

Teevens verharding is achterhaald. Dat is niet alleen gênant, maar ook zorgelijk. Dat Teeven als volksvertegenwoordiger telkens alarm sloeg en daarmee op gevoelens van onveiligheid inspeelde, was tot daaraan toe. Erger is dat hij als bewindspersoon de bevindingen van de ambtenaren van zijn eigen ministerie negeert en op geen enkele wijze meeneemt in zijn beleidsvoorstellen.

2Welke positieve effecten verwacht het kabinet? Elke onderbouwing ontbreekt. Dat is onaanvaardbaar, in een tijd waarin van iedereen wordt geëist om evidence based te werken.

Onderzoek toont steeds opnieuw dat strenger straffen geen positieve, maar eerder negatieve effecten heeft. Daarom wekt het verbazing dat Teeven opnieuw het idee van de strafdienstplicht van stal haalt. Eerdere varianten daarvan, zoals de Glenn Mills School en de kampementen van Lubbers, waren allesbehalve effectief. De Wesleys zijn dan enige tijd van de straat, maar de kans neemt toe dat deze onbehandelde delinquenten na terugkeer in de maatschappij opnieuw slachtoffers maken.

De zinvolle alternatieven zijn bekend. Jongens als Wesley moeten niet langdurig worden opgesloten met andere delinquente jongeren. Wat Wesley nodig heeft, is – behalve een korte lik-op-stukstraf – een intensieve, ambulante behandeling van zijn ADHD, gezinstherapie en regulering van zijn wietgebruik.

Een succesvolle aanpak vereist dat Wesley zo snel mogelijk terugkeert naar zijn eigen school en zijn voetbalclub. Daarbij wordt zijn gedrag intensief overzien. Als het slachtoffer daartoe bereid is, kan ook een professioneel begeleid gesprek met het slachtoffer zinvol zijn, los van een regeling voor de (im)materiële schade.

De brief van Teeven lijkt alleen bedoeld voor de bühne. Het is te hopen dat de Tweede Kamer de staatssecretaris terugstuurt en hem vraagt om aan te komen met een beter onderbouwd voorstel, waarin relevante, actuele kennis en inzichten, onder meer van zijn eigen onderzoeks- en documentatiecentrum, serieus zijn meegenomen en afgewogen.

Ido Weijers is hoogleraar jeugdrechtspleging aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtwetenschappen van de Universiteit Utrecht. Mariëlle Bruning is hoogleraar jeugdrecht aan de Universiteit Leiden. Theo Doreleijers is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan het VU Medisch Centrum en hoogleraar forensische psychiatrie aan de Universiteit Leiden. Gerard de Jonge is hoogleraar detentierecht aan de Universiteit Maastricht. Peter van der Laan is hoogleraar reclassering aan de Vrije Universiteit.