En toen was Italië aan de beurt

Experts kwamen allang met oplossingen voor de eurocrisis.

Maar politici vrezen kiezers en blijven achter de feiten aanlopen. „They are kicking the can down the road.”

Het is een vertrouwd beeld: euro-ministers van Financiën die na uren vergaderen aankondigen dat ze maatregelen zullen nemen voor de „stabiliteit van de eurozone” die ze een paar maanden geleden nog verwierpen.

Maar het is precies wat er gisternacht in het grote vergadergebouw in Brussel weer gebeurde. Met het mes van de markten op de keel doorbraken de ministers voor de zoveelste keer in deze eurocrisis een paar taboes. Maar nog niet allemaal. En details ontbreken.

„Dit is geen financiële crisis meer, en geen schuldencrisis,” zegt Nicolas Véron van de Brusselse denktank Bruegel. „Dit is een politieke, institutionele crisis van de bovenste plank geworden.” Véron beaamt dat de ministers afgelopen drie jaar enorme stappen hebben gezet. Hij noemt Europese financiële supervisie en het opzetten van een noodfonds – maatregelen die ze nooit hadden genomen als de druk vanuit de financiële wereld niet zo groot was geweest.

Maar dat is ook het probleem: „Die stappen werden onder extreme druk gezet. Op het allerlaatst. Met nationale veiligheidskleppen, zodat ministers ze thuis als ‘niet te Europees’ konden verkopen. Daarom was het steeds nét te weinig en nét te laat. Noch de bankcrisis, noch de schuldencrisis is adequaat opgelost. Daardoor bestrijden politici meerdere crises door elkaar en zijn ze in een institutionele crisis verzeild waar ze niet uitkomen – tenzij ze nu megastappen zetten.”

Dezelfde diagnose stelt de Griekse premier George Papandreou in een brief die begin deze week onder ministers werd verspreid. Daarin stond: „Het uur U is aangebroken, er is geen ruimte meer voor besluiteloosheid en fouten, zoals beslissingen die uiteindelijk steeds ‘too little, too late’ zijn om markten te overtuigen dat het ons ernst is’’. Papandreou smeekte hen geen compromissen meer te sluiten die acceptabel zijn voor nationale electoraten maar „gedegen crisismanagement” in de weg staan.

Weinigen betwisten het: als het noodfonds eerder was opgezet, rentes meteen lager waren geweest en het fonds direct of indirect staatsobligaties had mogen kopen, had Griekenland er minder beroerd voorgestaan. Andere perifere landen waarschijnlijk ook. „They are kicking the can down the road,” verwoordt een diplomaat een veel gebezigde uitdrukking. „Ministers schuiven de problemen voor zich uit, en daardoor maken ze die alsmaar groter.”

Zo hebben ministers net twee, drie maanden verloren omdat Duitsland en Nederland erop staan dat de financiële sector volgend jaar meebetaalt aan extra leningen aan Griekenland.

Iedereen begrijpt het: het is ook onfair als banken buiten schot blijven en burgers voor de kosten van de crisis opdraaien. Maar als je beleggers dwingt, bleek eerder na mislukt overleg met bankiers, vluchten ze weg, gaat een land failliet en is iedereen verder van huis. Daarom is de ECB mordicus tegen, gesteund door de meeste eurolanden.

Ook eergisteren verdedigde Trichet dit standpunt keihard, zegt een betrokkene, „als beton”. Minister Jan Kees de Jager zegt echter dat een selectieve, georganiseerde ‘default’ „niet langer meer uitgesloten” is. Als je beleggers vrijwillig betrekt, kun je dit vermijden. Probleem is alleen dat zij staatsgaranties eisen. Kortom, vrijwillige deelname van de financiële sector aan extra leningen voor Griekenland kan niet substantieel zijn. Dit stond letterlijk in een verkenning van de Europese Commissie begin juni.

„Dit wist iedereen ,” zegt Véron. „Zonde van de tijd. En sinds wanneer wordt van banken gevraagd om het gemeenschappelijk belang te dienen? Is een gigantische crisis het moment om dat ineens van banken te eisen? Dit was een naïeve, riskante onderneming. Politiek voor de bühne.”

In de verklaring van de euroministers van maandagnacht staat nog steeds dat de financiële sector mee moet betalen, maar het woord ‘substantieel’ ontbreekt ineens. Ambtenaren onderzoeken nu mogelijkheden van een terugkoopprogramma. Er zijn twee opties: het noodfonds koopt Griekse staatsobligaties op, met korting, of het leent Griekenland geld om dat zelf te doen. De helft van deze schuld zit bij financiële instellingen.

De eerste optie hebben de noordelijke ministers in maart verboden. De regels van het EFSF moeten dan worden veranderd. Als Griekenland zelf obligaties terugkoopt, is dit niet nodig.

Welke optie het ook wordt, velen willen dit al langer: het is een manier om de schuld van Griekenland (160 procent van het bbp, 350 miljard euro) te verminderen. Nu groeit die juist nog. Als je een terugkoopprogramma combineert met lagere rentes, heeft Griekenland misschien een kans om uit het dal te klimmen.

De ministers hebben alleen nog aangekondigd dat ze „klaar zijn” om deze maatregelen te nemen. Details ontbreken. Banken hebben deze week ook om zo’n terugkoopprogramma gevraagd: dan zijn zij van schuldpapier af dat alsmaar minder waard wordt. De banken moeten dan een verlies nemen, maar de vrees bestaat wel dat zij de korting kunnen bedingen die hen goed uitkomt. Regeringen moeten snel handelen (co-financier IMF wil in augustus duidelijkheid) en dat verzwakt hun onderhandelingspositie.

Hetgeen gisteravond in het verlaten vergadergebouw, tussen de lege pizzadozen, bij menigeen de vraag opriep: als ministers dit in maart hadden gedaan, had het ze dan politiek en financieel niet minder gekost?

Lees het commentaar over de eurocrisis op Opinie: pagina 19