De Iraakse Lente stuit op oude repressie

Net als elders in de regio protesteren in Irak veel jongeren tegen hun regime.

Vier betogers vertellen hoe ze na het uitdelen van rozen werden opgepakt en geslagen.

Irak heeft officieel geen dictator meer – Saddam Hussein is immers in 2003 door een Amerikaans-Britse invasiemacht ten val gebracht. Toch hebben de Arabische protesten zich ook naar Irak uitgebreid.

Het Iraakse regime is dan wel het resultaat van verkiezingen, maar de bevolking heeft verder dezelfde problemen als de andere Arabieren: enorme corruptie, werkloosheid, een haperende stroom- en drinkwatervoorziening. En, zo blijkt uit het relaas van vier jonge demonstranten uit Bagdad die ruim tien dagen hebben vastgezeten, veel van de oude repressiemethoden hebben het ook overleefd. Jihad Jalil, radiojournalist, Mu’a-yad al-Tayib, acteur, Ahmad al-Baghdadi, middelbare scholier, en Ali al-Jaff, bijna-afgestudeerd informaticus, reisden twee weken na hun vrijlating van Bagdad naar Najaf om hun verhaal te vertellen. In oktober kwamen ze voor het eerst in actie. De autoriteiten verboden toen onder druk van religieuze partijen het jaarlijkse kunstfestival in Babylon en een circus in Basra. De opleidingen drama en muziek van de kunstacademie in Bagdad gingen dicht. Na protesten werd dat laatste teruggedraaid.

„Na het begin van de Arabische revolutie begonnen we campagne te voeren voor steun aan de revoluties en voor verbetering van ons democratisch systeem, dat zwakke plekken heeft”, zegt Ahmad al-Baghdadi. Ze vormden de Facebook-groep ‘Bagdad wordt geen Kandahar’ – „we willen geen Talibaan-land worden”. „Deze demonstraties hadden in verschillende steden plaats. In Bagdad begon het op 4 februari. Op 14 februari, Valentijnsdag, was er een nieuwe betoging, waarop we rode rozen meedroegen om onze liefde voor het land te tonen. Vanaf 25 februari demonstreerden we elke vrijdag op het Tahrirplein.”

De betogers eisten opheffing van het sektarische systeem, waaronder regeringsposten naar etnische en religieuze afkomst worden verdeeld. Ook eisten ze maatregelen tegen corruptie. Dat viel niet goed bij de autoriteiten, die de betogers hindernissen in de weg begonnen te leggen. Ze sloten omliggende straten af, pakten betogers op en gebruikten geweld. Een ambtenaar die had meegedemonstreerd werd ontslagen. De regering oefende ook druk uit op geestelijken om een fatwa (islamitisch decreet) tegen demonstraties uit te vaardigen.

Mu’ayad al-Tayib werd op 27 mei opgepakt op weg naar het Tahrirplein. „Een groep mannen in burger kwam achter me aan, sloeg me en sleurde me in een auto. Ik slaagde erin een sms aan Ali te sturen die met de rest op het Tahrirplein aan het demonstreren was. Ik werd overgebracht naar een ambulance, waar Ali en Ahmad zich eveneens bevonden.”

Ahmad: „Wij waren gaan zoeken naar onze vrienden en hadden politiemannen gevraagd waar we hen konden vinden. Een groep mannen in burger omsingelde ons, en begon ons te slaan terwijl de politie toekeek. Ze namen onze mobiele telefoons en identiteitskaarten in beslag, bonden onze handen en blinddoekten ons. Ze brachten ons in de ambulance naar het Al-Muthanna-vliegveld, waar een gevangenis is van de inlichtingendienst.” Jihad Jalil werd op het Tahrirplein opgepakt.

De vier werden meegenomen naar de dokterskamer. Daar, vertelt Ahmad, „hing een poster met de tekst ‘Nee tegen foltering’ met de woorden ‘nee tegen’ afgeplakt. Ze zetten ons vervolgens buiten in de zon, nog steeds met gebonden handen en geblinddoekt, op blote voeten, van half tien ’s ochtends tot twee uur ’s middags. [Eind mei is het overdag gemiddeld ruim in de dertig graden, CR.] Daarna bleven we in de schaduw staan, waar ze foto’s van ons namen, tot half zes ’s ochtend, zonder eten.”

De derde dag, zegt Jihad Jalil, werden we van zeven uur ’s avonds tot negen uur in de ochtend verhoord. „Vervolgens zetten ze ons weer in de zon. Mu’ayad werd daarna als eerste apart genomen.”

Mu’ayad: „Ik werd ervan beschuldigd dat ik portretten van premier Maliki had afgescheurd en had opgeroepen tot omverwerping van de regering hoewel deze is gekozen. Ik zei dat ik hervorming van de publieke voorzieningen wilde. Zij beschuldigden me ervan dat ik tot Al-Qaeda behoorde en tot de verboden Ba’athpartij. Ik ontkende dat.”

De vierde dag werden ze weer in de zon gezet. Aan het einde van de middag moest Mu’ayad weer vragen beantwoorden. „De ondervragers lieten me een identiteitskaart zien, met mijn foto, die ze uit mijn zak hadden gehaald, maar niet mijn naam. Dat deden ze ook met Ahmad en Ali, maar met een foto die ze tijdens onze detentie hadden genomen. Ze beschuldigden ons ervan valse identiteitsbewijzen op zak te hebben. Tegen Jihad, van wie ze geen behoorlijke foto hadden kunnen nemen omdat zijn gezicht zo was gehavend, zeiden ze dat zijn echte papieren vals waren.”

Jihad: „We kregen bezoek van een vertegenwoordiger van het ministerie van Mensenrechten, die ons meedeelde dat wij goed werden behandeld. Hij zei dat we door het leger waren opgepakt omdat we valse papieren hadden. Wij ontkenden dat en zeiden dat we demonstranten waren en dat we het recht hadden om te demonstreren, maar hij zei dat er geen demonstraties waren.”

„Ze zeiden dat we een bekentenis moesten ondertekenen dat we valse papieren hadden”, zegt Ahmad. „Maar ik zei dat ik dat niet deed omdat dat niet waar was. De volgende ochtend vroeg, op de achtste dag, werden we om drie uur ’s ochtends buiten gezet waar we tot zes uur moesten blijven staan.”

Op de negende dag ontmoetten de vier generaal Qassem Atta, woordvoerder van het veiligheidscommando in Bagdad. Hij wilde volgens Ahmad een compromis. „Als we niets zouden zeggen over onze behandeling zouden we vrijkomen. Hij beval de bewakers ons goed te behandelen en onze families te informeren, die we niet hadden mogen inlichten. Een parlementslid van premier Maliki’s partij probeerde ons over te halen de premier te steunen in ruil voor geld en het recht binnen de Groene Zone te demonstreren. Wij zeiden: laat ons eerst vrij, dan beslissen we.”

Zaterdag 4 juni werden ze naar een rechtbank overgebracht. De rechter had een probleem, aldus Mu’ayad. „Zijn probleem was dat de televisie de vorige dag al onze vrijlating had aangekondigd. Hij zei: ‘ik wil hen hier niet hebben’ en we gingen terug naar de gevangenis.”

Ali al-Jaff. „Ik denk dat hij zijn handen niet wilde branden wegens de politieke aspecten. Er was politieke druk om ons vrij te laten, maar hij wilde niet als zondebok dienen.”

Op de elfde dag werden ze naar een politiebureau gebracht, waar weer de valse papieren aan de orde kwamen. Ali: „De politie behandelde ons als vervalsers. Er werd geen melding gemaakt van de demonstraties.”

Om vier uur die middag kwamen ze vrij. Generaal Atta zei later dat ze niet als demonstranten waren gearresteerd, maar omdat ze identiteitskaarten hadden vervalst. Jihad: „Twee dagen later gingen we weer demonstreren.”