Ze konden mijn poentje zien

Het was de eerste keer dat ik in een Sporttainmentcentrum was – een naam haast zo intimiderend als de activiteiten die het huisvestte. Het was een groot, donker gebouw vol zalen en ruimtes, waar naast grijnzende jongens met stekelhaar, ook kinderfeestjes en onwennige stelletjes zich overgaven aan verschillende spellen. Die hadden met elkaar gemeen dat

Het was de eerste keer dat ik in een Sporttainmentcentrum was – een naam haast zo intimiderend als de activiteiten die het huisvestte. Het was een groot, donker gebouw vol zalen en ruimtes, waar naast grijnzende jongens met stekelhaar, ook kinderfeestjes en onwennige stelletjes zich overgaven aan verschillende spellen.

Die hadden met elkaar gemeen dat je er een speciaal pak voor aan moest, er allemaal regels waren en dat er een redelijke kans was dat je onderweg gewond raakte. Er was een door discolampen verlichte ijskartbaan, een klimmuur, een met blacklight versierde Laser Dome en een skihal vol stuntende snowboarders. Wij kwamen echter voor: de indoor kartbaan.

Ter ere van de verjaardag van een familielid zouden we een middag gaan karten. Ik had nog nooit gekart, en vanachter het glas keek ik zenuwachtig naar het glooiende parcours met de voorbij scheurende skelterachtige autootjes.

Voordat we zouden beginnen, vroeg iemand bezorgd: „We krijgen dit keer geen pak hè? Hou je die schoenen aan?”, alsof er nog een kans bestond dat ik uit mijn tas zwart-wit geblokte coureurslaarzen tevoorschijn zou toveren.

Ik keek naar mijn witte laarsjes: ik had bij het kiezen van mijn kleren geen seconde nagedacht over kartvriendelijkheid. Mijn doel was geweest ‘er een beetje leuk uitzien’.

Maar mijn schoenen bleken het probleem niet.

In de kleedkamer kreeg iedereen een helm aangereikt van een slank, hoogblond en verveeld meisje, dat ongetwijfeld de koningin was van de kartbaan, en misschien wel van het hele Sporttainmentcentrum. Voordat ik er werkelijk klaar voor was, leidde ze ons naar de baan, waar in de herrie van slippende banden onze karts al ronkend klaarstonden. En op het moment dat ik in het kuipstoeltje ging zitten, voelde ik: o god. Mijn rokje. Boven de witte laarsjes droeg ik een strakke, halflange kokerrok. Het kuipstoeltje bevond zich vlak boven de grond, de pedalen zaten iets hoger en ver uit elkaar. Oftewel: ik moest in een soort spreidstand gaan zitten, in een rokje dat zo strak zat, dat het nu min of meer een soort tunnelvisie bood op gebieden die een dame doorgaans liever bedekt houdt.

Paniekerig realiseerde ik me dat ik niet kon verzitten of mijn opgekropen rokje naar beneden kon trekken. Terwijl ik wild om me heen keek, zag ik opeens het blonde meisje: „Hee!”, schreeuwde ik, door het geluid van de grommende karts heen. „Is er iets te zien?” Ze keek me onverschillig aan, gespte me vast, zei: „Nee hoor”, en gaf het signaal dat we moesten gaan rijden. Voordat ik kon reageren, zat ik op de baan.

Ik heb tien rondjes lang in een soort gynaecologische positie mijn poentje aan de kartbaan laten zien. Steeds opnieuw reed ik weer voorbij de mensen die langs de kant stonden te kijken, terwijl ik doodongelukkig met één hand probeerde te sturen en met de ander krampachtig mijn rok vasthield.

Ik vermoed dat sindsdien ik de nieuwe koningin van de kartbaan ben.