Weidse landschappen van wilgen en wolken

Zó Hollands. Ons landschap in de kunst sinds 1850. T/m 11 september in De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem. Inl: dehallen.nl

Vorig jaar ging de zomertentoonstelling in De Hallen in Haarlem over het Romantische landschap, dit jaar is er Zó Hollands, gewijd aan ‘het Hollandse landschap in de kunst sinds 1850’. Dat is een langere periode met een veel grotere verscheidenheid aan kunstopvattingen. Bijna altijd pakt dat in zo’n thematische tentoonstelling nadelig uit voor ofwel de oude ofwel de moderne kunst. Hedendaags werk hangt er dan een beetje bij, als een anticlimax na de negentiende-eeuwse schilderkunst. Of het hart van de tentoonstellingsmaker lag juist meer bij de modernen en het oudere werk is daar zonder veel belangstelling of visie aan toegevoegd.

Het mooie van Zó Hollands in De Hallen is dat er een opvallend evenwichtig overzicht wordt geboden van de rol die het Hollandse landschap speelde in de kunst van de afgelopen anderhalve eeuw. De samenstellers zijn niet eenkennig geweest. De hele Haagse School is vertegenwoordigd, de tijd van Mondriaan en Sluijters komt goed uit de verf en uit de jaren zeventig is er representatief werk van kunstenaars als Jan Dibbets en Ger van Elk geleend uit musea als Boijmans Van Beuningen en het Stedelijk. Zelfs Marinus Boezems kathedraal van bomen bij Almere is binnengehaald, in de vorm van een foto en een maquette.

Door alle periodes en stromingen heen worden tradities zichtbaar. Onvermoede verbanden. De knotwilgen die Willem Roelofs en Piet Mondriaan schilderden werden in de volgende eeuw ondersteboven in het landschap gezet door land art-kunstenaar Sjoerd Buisman. Fotograaf Han Singels past de lessen van de schilderkunst toe op de fotografie, zoals hij het zelf zegt: hij legt hedendaagse Haagse Schooltaferelen vast, met zilverachtig glinsterende wilgen en vee langs de waterkant. De koeien van Gerard Bilders en Anton Mauve werden later door Eugene Brands uit elkaar getrokken tot zwarte en roodbruine vlekken in het groen.

Uit 1933 is er een bevroren vaart met koek-en-zopietent van Johan van Mastenbroek, uit 2009 een luchtfoto van witte schaatssporen op donker ijs, met behulp van een vlieger gemaakt door Gerco de Ruijter. Lopend door de tentoonstelling begrijp je ineens hoe verwant het werk van de schilders Edgar Fernhout, Jan Wolkers en Jaap Hillenius is, en dat zij ook familie waren van Ferdinand Hart Nibbrig, die het Hollandse licht al tijdens de vorige eeuwwisseling in stipjes en streepjes kleur vertaalde.

Behalve de bekende namen zijn er in iedere zaal ook verrassingen. Bijvoorbeeld een origineel gecomponeerd schilderijtje van een tulpenveld achter schuurtjes en bomen door de ‘bollenveldenschilder’ Anton Koster (1859-1937). Lichtvlekken en bomenschaduwen liggen door elkaar op de voorgrond; verderop staan rode en gele tulpen te gloeien in de zon. Merkwaardig is een schilderij van Thé Lau, die in 1932 een donker oudtestamentisch landschap maakte van de duinen bij Schoorl.

Laus schilderij is een van de weinige duinlandschappen op de tentoonstelling, bossen zie je nauwelijks en het stedelijke landschap ontbreekt geheel. In Haarlem staat de polder centraal: weide, wilgen en wolken. Het land wordt door sloten en rivieren doorsneden en er hangt ook een hoop vocht in de lucht, maar de zee is bijna nergens zichtbaar. Dat zou een mooi onderwerp zijn voor de zomertentoonstelling van volgend jaar: de zee en de duinen in de Nederlandse kunst. Daar kunnen ze in De Hallen vast ook zo’n voortreffelijk overzicht van maken.