Indiase boer kan niet in welvaart delen

India kan zichzelf sinds de jaren zestig voeden. Maar de kleine boeren in de provincie verkommeren door gebrek aan infrastructuur. Industrialisering van het platteland zou de oplossing zijn.

Ramrati, Siapriya en Rita, drie landloze seizoenarbeidsters uit Bundelkhand, een droge streek in het midden van India, bezingen hun lot. „De zon rijst aan de hemel en u zit achterover in de schaduw. Ik vul uw graanschuur, maar zelfs uit beleefdheid heeft u mij nog geen druppel water aangeboden.”

Elk voorjaar richten ze hun smeekbeden ook naar de hemel om een goede moesson af te dwingen. „Zwarte wolken, waarom laten jullie het hier niet regenen? Trek alsjeblieft niet verder, maar laat jullie regendruppels hier vallen op de akkers van mijn ouders en op de akkers van mijn echtgenoot”, luidt het refrein van dat lied.

De moesson, de jaarlijkse zomerregens die vanaf het zuidwesten in noordelijke richting over het subcontinent trekken, beslist over leven en dood in grote delen van het platteland van India. Zestig procent van de landbouwgrond is niet geïrrigeerd, en dus direct afhankelijk van regenval. Blijven buien uit, of zijn ze juist te uitbundig, dan mislukt de oogst. Dan wordt er honger geleden.

Ook Mandeep Singh, een 25-jarige boer uit de omgeving van Khanna in de noordelijke deelstaat Punjab, kijkt uit naar de komende moesson. Maar niet zo smachtend als de boeren in Bundelkhand. De tarweoogst is al ruim een maand binnen. Nu plant hij rijst aan. Om zes uur vanochtend heeft hij zijn waterpomp aangezet. Een dikke straal water gutst uit een buis en akker na akker komt blank te staan. Ook zonder een goede moesson kan hij zijn oogst bevloeien.

De drie landarbeidsters uit Bundelkhand en boer Singh uit Punjab staan voor de grote regionale tegenstellingen binnen de Indiase landbouw. Singh woont in ‘de graanschuur van India’, de noordelijke regio waar de natuurlijke omstandigheden het beste zijn en de opbrengst per hectare het hoogst is. Hij bezit iets meer dan vier hectare. Daarnaast pacht hij nog eens zes hectare. Met de verbouw van tarwe, rijst, mais en bloemkool kan hij een redelijk inkomen halen, zegt hij.

Singh is een moderne boer naar Indiase begrippen. Hij behoort tot de agrarische ondernemers die, juist omdat ze relatief groot zijn, het meest profiteren van het landbouwprijsbeleid van de regering en van overheidssubsidies op bijvoorbeeld kunstmest en bestrijdingsmiddelen.

India telt bijna 120 miljoen agrarische huishoudens, boeren die land in eigendom hebben. De meesten, 60 tot 80 procent, moeten het doen met minder dan een hectare, vaak met een schrale opbrengst. De grote massa van de Indiase boerenstand zijn ‘marginale’ zelfstandigen die nauwelijks rond kunnen komen. Droogte heeft de afgelopen jaren honderden keuterboertjes tot zelfmoord gedreven in Bundelkhand en andere streken in het midden van India.

Ook andere cijfers duiden op crisis in de Indiase landbouw. Twintig jaar geleden droeg de sector nog zo’n 25 procent bij aan ’s lands bruto nationaal product. Dat aandeel is nu gezakt tot onder de 15 procent. Tegelijkertijd werkt nog steeds de helft van de beroepsbevolking in de landbouw.

Het platteland raakt achterop bij de welvaartsverdeling. Naar Europese begrippen zijn er veel te veel (onproductieve) arbeidskrachten blijven hangen in de landbouw. Geen wonder dat veel boeren, 40 procent, zouden stoppen indien er andere banen waren, zoals twee jaar geleden uit een nationale steekproef bleek.

Landbouweconoom S. Mahendra Dev, verbonden aan het Indira Gandhi Institute of Development Research in Mumbai, is niet verbaasd over die uitkomst. Tot voor kort was hij voorzitter van de overheidscommissie in Delhi die de minimumprijzen voor landbouwproducten in India vaststelt. Hij verwacht dat het aantal (zelfstandige) boeren de komende tien tot vijftien jaar met 20 tot 30 procent zal verminderen.

„De jonge generatie wil niet langer sappelen op een boerderijtje waar geen toekomst in zit. Niemand wil zijn dochter nog uithuwelijken aan de zoon van een arme boer. Liever zoekt men een baantje bij de overheid of als beveiliger, ook al levert dat niet veel op”, zegt hij

Er is ook een ander beeld van de Indiase landbouw. Juist dit voorjaar haalden boer Singh uit Punjab en zijn collega’s zo’n 84 miljoen ton tarwe van hun velden. Zoveel is in India nog nooit geproduceerd.

De hoeveelheid is zó groot, dat de overheid geen plek meer heeft om haar strategische buffervoorraden veilig op te slaan. Overal op het platteland in Punjab en elders zie je bergen van hoog opgestapelde zakken met tarwe, afgedekt door blauw plastic tegen de moesson. Net als in het verleden verregent een deel van de graanvoorraden toch, spoelt weg of wordt opgevreten door de ratten.

Die verspilling is een steen des aanstoots (zie kader). Maar de huidige ‘overvloed’ stelt beleidsmakers ook gerust. Na de ‘Groene Revolutie’ in de jaren zestig, met de introductie van nieuwe zaden, maakte India een grote sprong voorwaarts. Het werd zelfvoorzienend op het gebied van voedselgranen.

In de afgelopen decennia werd de sector echter verwaarloosd. Investeringen liepen terug, nieuwe technologische doorbraken bleven uit. De opbrengsten per hectare bleven in de meeste gebieden op een (internationaal gezien) bedenkelijk peil steken, ook voor peulvruchten, het ‘vlees van de armen’, in India. De agrarische sector groeide in de jaren negentig nog met gemiddeld 4,7 procent. Tussen 2002 en 2007 was dat minder dan 2 procent, een kwart van de totale Indiase groei.

Zo ontwikkelde zich een doemscenario: India dreigde (opnieuw) afhankelijk te worden van de wereldmarkt. Directeur Ramesh Chand van het National Centre for Agricultural Economics and Policy Research in Delhi waarschuwde de regering twee jaar geleden dat de binnenlandse productiegroei ver achter bleef bij de vraag.

Nu is Chand een stuk optimistischer. „Ik heb het gevoel dat we de komende vijf tot tien jaar veilig zitten”, zegt hij. „We kunnen plotseling te maken krijgen met een zwakke moesson en met droogte. En ongetwijfeld zullen we in bepaalde jaren meer moeten importeren. Maar in zijn algemeenheid zie ik geen bedreigingen meer.”

Recordoogsten zoals van dit jaar dragen bij aan het herwonnen zelfvertrouwen. De landbouw groeit weer met 3 tot 3,5 procent per jaar. Die opleving komt door hogere prijzen voor de boeren, herstel van overheidsinvesteringen in verbetering van de infrastructuur (irrigatie, wegen, elektriciteit) en door nieuwe technologie, hoogwaardige zaden voorop, legt Chand uit. „Er is een omslag gekomen. Alle factoren die tot voor een paar jaar negatief waren, zijn nu positief.”

Maar India kan niet op zijn lauweren gaan rusten, blijkt uit het economisch jaaroverzicht dat de regering dit voorjaar publiceerde. „Peulvruchten zijn de belangrijkste bron van eiwitten voor een groot deel van de bevolking. Een technologische doorbraak in de productie is nodig om gelijke tred te houden met de groeiende vraag”, staat in het rapport. En over voedselgranen: „De cijfers over de gemiddelde opbrengst (per hectare) van tarwe en rijst suggereren dat hun plafond is bereikt. Er is behoefte aan hernieuwde research om de productie en de productiviteit aan te zwengelen”.

Het grootste succes heeft India geboekt met katoen. Daarvan verdubbelde de productie in de afgelopen vijf, zes jaar na de introductie van genetisch gemodificeerde zaden. Inmiddels gebruikt 90 procent van de katoenboeren die. Maar katoen is geen voedsel. Na massale protesten heeft de regering de verbouw van genetisch gemodificeerde aubergines vorig jaar verboden.

De landbouweconomen Dev en Chand zeggen geen principiële bezwaren te hebben tegen genetisch gemodificeerd gewassen. De opbrengsten per hectare zijn veel hoger en er zijn minder bestrijdingsmiddelen nodig. „Zo eenvoudig is het”, zegt Dev.

Gezien de maatschappelijke weerstand zien zij introductie van genetisch gemodificeerd voedsel echter niet snel gebeuren. Dat is ook geen ramp, zeggen ze. Met conventionele zaadveredeling, betere productiemethoden en irrigatie kan nog veel worden verbeterd. Het grootste succes ligt volgens hen in het verschiet als de door de regering geplande uitbreiding van de tarwe- en rijstteelt in de oostelijke deelstaten doorgaat.

Boer Singh uit Punjab zegt dat hij afgelopen voorjaar een opbrengst van 5,4 ton tarwe per hectare heeft gehaald. Daarmee zit hij aan de top in India. Maar het grondwater dat hij oppompt komt van meer dan 21 meter diep. Elk jaar moet hij ongeveer een meter verder gaan.

Dat geeft precies aan waarom de regering de productie wil verschuiven naar deelstaten als Bihar, Jharkhand en Orissa, waar het overvloedige regenwater nu nog gewoon wegstroomt. In Punjab leven de boeren op een ecologische tijdbom, zeggen milieudeskundigen. „De waterproblemen treffen juist de gebieden waar landbouw het verst is ontwikkeld dankzij de Groene Revolutie”, zegt professor Dev. „Verschuiving van tarwe- en rijstteelt naar het oosten, waar de opbrengsten per hectare nog laag zijn, zou een zegen zijn.”

Dat ziet er dus veelbelovend uit vooral in Bihar, Jharkhand en Orissa. Maar hoe moet het met al die miljoenen keuterboertjes die dat perspectief niet hebben? Boer Singh uit Punjab kan zijn tarwe en rijst gemakkelijk kwijt op de mandi, de centrale landbouwmarkt in Khanna, vijf kilometer van zijn bedrijf. Zijn bloemkolen verkoopt hij aan de grootwinkeliers Reliance Food en Walmart.

In grote delen van India zijn evenwel geen ‘mandi’s’ in de buurt, en het gros van de boeren is te klein en woont te afgelegen om direct zaken te kunnen doen met winkelbedrijven. Als ze al iets te verkopen hebben, zijn ze aangewezen op lokale agenten, op tussenhandelaren en transporteurs.

Zeker 30 procent van alle groenten en fruit in India gaat verloren in de lange handelsketen van boer naar consument. De boer krijgt uiteindelijk slechts een fractie van de prijs die de consument moet betalen – een belangrijke oorzaak van de inkomensachterstand van de meeste boeren, ondanks aantrekkende groeicijfers voor de sector in zijn geheel.

De echte oplossing moet, paradoxaal genoeg, komen van buiten de landbouw. „Alleen industrialisering kan een uitweg bieden voor de armoede op het platteland en voor modernisering van de landbouw als een efficiënte voedselleverancier. Uitstoot van arbeidskrachten biedt veel meer mogelijkheden dan welke productieverbeterende hervorming in de landbouw zelf”, schrijft de uit India afkomstige econoom Arvind Panagariya, hoogleraar aan Columbia University, in zijn standaardwerk ‘India, The Emerging Giant’.

Zijn collega Dev uit Mumbai is het daar volledig mee eens. „We moeten kleine en middelgrote industriële bedrijven ontwikkelen op het platteland. India loopt daarin ver achter bij bijvoorbeeld China”, zegt hij. „We zouden kunnen beginnen met verwerkende industrie voor agrarische producten. De potentie daarvoor is enorm. Op dit moment verwerkt India slechts zo’n 2 procent van zijn groente, fruit en dergelijke”.

Ook econoom Chand in Delhi, die regelmatig naar Punjab reist om de voortgang op zijn boerenbedrijf in de gaten te houden, ziet industrialisering als de oplossing. Maar anders dan zijn collega Dev voorziet hij geen grote vermindering van het aantal boeren. Het model zoals in de Europa is gevolgd, past volgens hem niet in Azië en ook niet in India. „In Europa zijn de kleine boeren verdwenen. Maar zelfs in het hoogontwikkelde Japan domineren kleine boeren de landbouw. Hetzelfde geldt voor China. Ook de Indiase boeren willen hun land niet verlaten. Ze zijn er aan gehecht”, zegt hij.

Chand: „Om de boeren toch een inkomen te geven dat hen in staat stelt te overleven, moeten ze kans krijgen om in deeltijd elders te werken. Daarvoor heb je inderdaad industrie nodig op het platteland. Dat proces verloopt nu nog teleurstellend langzaam. Maar als we geen modern platteland opbouwen, zullen we worden geconfronteerd met ernstige problemen.”