Het beroepsgeheim is geheim. Of toch niet?

Psychiaters zijn verdeeld over de vraag of de GGZ alarm had moeten slaan over Tristan. De ouders waarschuwden, maar „zij waren niet zijn wettelijk vertegenwoordiger”.

Hoe ver strekt het beroepsgeheim van artsen? Die vraagt dringt zich op nu blijkt dat de ouders van Tristan van der V. de behandelaar van hun zoon vóór het bloedbad in De Ridderhof hebben gewaarschuwd dat hun zoon wapens had. Had Tristans behandelaar alarm moeten slaan? En bij wie dan?

Gisteren meldde het Openbaar Ministerie (OM) dat de GGZ Rijnstreek – daar liep Tristan – ná het bloedbad geen medische informatie had willen geven over hun patiënt. Het beriep zich op de zwijgplicht van artsen. Jammer, vond het OM.

Nu blijkt dat het OM wist dat Tristans behandelaar al was gewaarschuwd door zijn ouders. „Maar we konden daar niets mee in ons onderzoek”, zegt een woordvoerder. „Daarvoor hadden we het hele medische dossier moeten hebben.”

Het lijkt een debat tussen rekkelijken en preciezen te worden. Aart Hendriks, coördinator gezondheidsrecht bij de artsenorganisatie KNMG, neemt het op voor Tristans behandelaar. Hij zegt: „Psychiaters hebben alleen met hun patiënt te maken en verder met niemand. Het gebeurt zo vaak dat ouders bellen. ‘Is mijn dochter vandaag wel bij u geweest?’ Ze maken zich zorgen. Maar strikt genomen mag een arts daar niet eens antwoord op geven.”

En als ouders zeggen: onze zoon verzamelt wapens? „Dat mag een psychiater aanhoren en zeggen: ik heb gehoord wat u zegt, dank u. En in het geval van Tristan: hij was volwassen, zijn ouders waren niet zijn wettelijk vertegenwoordiger en voor zover mij bekend, was hij niet ontoerekeningsvatbaar. Ouders kunnen van alles tegen de psychiater zeggen. Of werkgevers, want die bellen ook.”

Maar René Kahn, psychiater en hoogleraar in het UMC Utrecht, vindt het vreemd dat Tristans behandelaar zich zo heeft opgesteld. Hij zegt: „Dit heeft niets met beroepsgeheim te maken. Ze hadden er wat mee kunnen doen zonder dat aan de ouders te koppelen. Sterker, het negeren van de omgeving van patiënten, zoals de ouders, is een grove omissie in de psychiatrie.”

Kahn vindt ook dat de GGZ Rijnstreek het medische dossier van Tristan achteraf best aan het OM had kunnen geven, zeker als Tristans ouders daarvoor toestemming gaven. „Het lijkt me goed om na te gaan of er fouten zijn gemaakt, als we dit soort dingen in de toekomst willen voorkomen.”

Jim van Os, psychiater en hoogleraar in het academisch ziekenhuis in Maastricht, vindt de weigering van de GGZ Rijnstreek om informatie te verstrekken „tekenend voor de ambiguïteit in Nederland ten aanzien van het beroepsgeheim”. Hij legt uit: „You’re damned if you do and damned if you don’t. Als je wél het beroepsgeheim schendt, en instanties waarschuwt voor mogelijk gevaar, kan de patiënt, of de familie, achteraf een lelijke zaak tegen je aanspannen bij de tuchtrechter. Dan is je carrière kapot. Doe je het niet, en er gebeurt iets ergs zoals in Alphen, dan heb je de publieke opinie tegen je.”

Is dat niet minder erg dan een veroordeling? „Even erg”, zegt hij. „Het circus van snelle oordelen door politici en media is schadelijk.”

Aart Hendriks, de man van de artsenorganisatie KNMG, noemt zichzelf „de vervelende jurist die op de regels let”. Hij verwijst naar de wet en houdt vol dat artsen hun beroepsgeheim alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mogen schenden. Formeel: als er een conflict van plichten is. Een arts die ervan overtuigd is dat zwijgen tot ‘schade’ leidt (moord, mishandeling) mag spreken.

Zo was het toch bij Tristan? „Dat weet je niet”, zegt hij. „Alleen achteraf. Psychiaters horen patiënten vaak zeggen dat ze iemand gaan doden.”

De verdenking moet specifiek zijn, zegt Hendriks. Déze persoon gaat op dát moment díe persoon iets aandoen. De bewijslast is zeer zwaar.

En dan nog. Artsen die kindermishandeling vermoeden, zegt Hendriks, kunnen een melding doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Dat gebeurt in Nederland met een zekere regelmaat. Maar bij Tristan lag dat niet voor de hand. Dus wat dan? Naar de politie? „Voor zover mij bekend is dat in Nederland nog nooit gebeurd.”

Rivierduinen, waar de GGZ Rijnstreek onder valt, is op de dag van het bloedbad meteen een intern onderzoek begonnen en er is ook een onafhankelijke toetsingscommissie ingesteld. Hoe is de hulpverlening aan Tristan geweest? Hoe is er gereageerd op eventuele ‘signalen’ van Tristan? De resultaten van beide onderzoeken zullen 21 juli aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden gestuurd.

Een woordvoerder van Rivierduinen zegt dat het verzoek van het OM om informatie om formele redenen werd afgewezen: er moest eerst een uitspraak van de rechter zijn. „Dat hebben we het OM laten weten.” Rivierduinen heeft er vervolgens niets meer over gehoord.

Hoofdofficier van justitie Kitty Nooy zei gisteren dat ze heeft overwogen om naar de rechter te stappen, maar ervan afzag omdat het te „tijdrovend” zou zijn geweest.

Nils Duits, forensisch psychiater bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie organiseerde in opdracht van het OM de psychiatrische autopsie naar Tristan. Hij presenteerde gisteren de bevindingen: de jongen leed aan paranoïde schizofrenie en depressies. Al sinds zijn veertiende.

Kun je een diagnose stellen over een patiënt die je nooit hebt ontmoet en van wie je geen medisch dossier hebt? Ja, zegt Duits. „In dit geval hadden we veel informatie. Meer dan van veel levende patiënten. Van der V. had van alles opgeschreven, en geluidsopnamen gemaakt van de stemmen in zijn hoofd. [De apparatuur gaf zijn stem weer.] We hebben met zijn ouders gesproken, met collega’s en kennissen.”

In een reactie zegt minister Schippers van Volksgezondheid: „Bescherming van de patiënt is niet in alle gevallen een absoluut gegeven. Naar aanleiding van een aantal zaken de afgelopen jaren wordt het medisch beroepsgeheim momenteel tegen het licht gehouden.”