Helpt het doden van de leiders?

Doden van terroristenleiders werkt lang niet altijd. Al-Qaeda in Irak werd bijvoorbeeld afgeschreven nadat zijn beruchte leider, Abu Musab al-Zarqawi, in juni 2006 door het Amerikaanse leger was gedood. Maar na zijn dood ging Al-Qaeda’s terreur onverminderd door. En nog steeds sterven rond de tweehonderd Irakezen elke maand door terreur. En de gevangenneming van de Duitse terroristenleider Andreas Baader in 1972 (samen met de halve top van de Rote Armee Fraktion) leidde ook niet tot vermindering van de terreur. Israël heeft al vele leiders van Hamas geliquideerd zonder veel effect.

Het ‘afhakken van de kop’ werkt vooral als het gaat om charismatische leiders in een organisatie met een piramidestructuur. En Osama Bin Laden mag charismatisch zijn geweest, Al-Qaeda is verre van strak georganiseerd. Dat gold indertijd wel voor het Lichtend Pad in Peru. Nadat leider Abimael Guzmán in 1992 werd gearresteerd, nam de slagkracht van de guerrilla-organisatie direct sterk af. Het Peruaanse leger arresteerde niet alleen Guzmán, maar ook zijn minnares en nummer twee van de organisatie Elena Iparraquirre. Ook de Koerdische afscheidingsbeweging PKK werd minder actief na de arrestatie van leider Abdullah Öcalan in 1999. Soms wordt de organisatie aangepast aan het succes van de bestrijders. De Spaanse en Franse politie arresteerden de laatste jaren zo veel leiders van de Baskische afscheidingsbeweging ETA, dat die inmiddels haar traditioneel zeer hiërarchisch organisatie heeft omgezet in een veel platter en decentraler model.