Enge mensen

Rascha Peper over haar xenofobe kat die niet houdt van werksters en zingende Brazilianen.

Bezoekers aan ons huis kunnen niet om de kat heen. Hij staat degenen die aanbellen in de hal al belangstellend op te wachten (als hij zou kunnen opendoen, zou hij die taak met plezier op zich nemen), begeleidt hen ronkend naar hun plaats en begint hun tas leeg te hengelen om er zelf in te gaan zitten. Vervolgens werpt hij zich aanminnig aan hun voeten om met hun veters te spelen of gaat op de rugleuning van de bank zitten en tikt tegen hun oorbellen. Als het te bar wordt, zetten wij hem de kamer uit.

Zelden ontdekt iemand dat wij nog een kat hebben, een kleiner exemplaar, uitgevoerd in grijs-zwart Bengaalse tijgermotief, maar zonder het lef van die verre verwant. Zodra de bel gaat of er een vreemde stem in huis klinkt, verstopt deze kat zich en komt voorlopig niet meer tevoorschijn. Hij is in hoge mate xenofoob. Bij nijpende honger kijkt hij soms van een afstand om de hoek om te peilen of de vreemde griezels nog geen aanstalten maken om weg te gaan, maar zodra iemand naar hem wijst of roept, is hij alweer verdwenen. Als kitten niet goed gesocialiseerd heet dat bij kenners. Intussen wordt de andere kat geknuffeld, gefotografeerd (hij is al op Facebook), krijgt de balletjes toegeworpen waar de kleine juist zo dol op is en steelt de paté van de toastjes.

Dinsdag is de ergste dag van de week voor de kleine; dan komt de werkster. Zij is een lieve, pronte Braziliaanse met een warm hart voor mens en dier, maar dat weet hij niet, hij associeert haar slechts met de stofzuiger, het knersende keukentrapje en haar daadkrachtige stap door het huis. Terwijl zijn collega de zwabber bespringt, knisperend schuim uit een emmer slaat en goede gesprekken voert – hij verstaat al een aardig mondje Portugees – vormt de kleine een bobbel onder de plaid over de sofa op mijn werkkamer, de veiligste plek in huis, denkend dat wie zelf niets ziet, ook voor anderen onzichtbaar is. Totdat we allebei uit die kamer verdreven worden, doordat de werkster daar moet zijn. Dan haal ik hem onder de plaid vandaan en zet hem in de voorkamer, die al klaar is en waar het gevaar dus geweken is.

Deze aanpak werkte tot voor kort heel goed, maar nu is er iets veranderd. De Braziliaanse meldde enige tijd geleden dat ook haar broer in Nederland was gearriveerd en stelde voor dat ze voortaan in plaats van drie uur in haar eentje samen met haar broer hetzelfde werk in anderhalf uur zou doen. Let wel: haar broer was een topschoonmaker, dus voor mij was het een win-winsituatie! Goed, ik wilde hun slimme plan niet dwarsbomen, en zo spraken we het af.

Sindsdien is mijn leven verrijkt met de goedlachse Leandro die het huis zingend te lijf gaat alsof hij nergens méér schik in heeft en die en passant ook nog scheefhangende kastdeurtjes repareert. Of hij inderdaad een broer is of een minnaar, weet ik niet, maar in beide gevallen heeft de lieve Braziliaanse het getroffen. De knuffelkat ook. Het is nog gezelliger geworden op dinsdag, hij wordt nog meer geaaid en toegesproken. Wat hem betreft komt de hele familie over.

De kleine tijger is van een andere mening. Een huis is al gauw te klein als er twee mensen in rondlopen die je per se niet wilt tegenkomen. En niet alleen heeft Leandro een nog daadkrachtiger stap, een nog vrolijker ringtone op zijn mobiel en port hij nog raker met de mop onder het bed dan zijn zus, hij is ook onvoorspelbaarder. Sinds hij meekomt weten wij niet meer precies wanneer mijn kamer aan de beurt is. Soms trekt hij de stofzuiger al helemaal tot aan de deur, grijnst stralend naar binnen, maar blijkt zich dan voorgenomen te hebben eerst de bovenkanten van de boeken in de gang eens met een speciaal zuigborsteltje af te nemen.

De kat hoort hem naderen en denkt: het is lang goed gegaan, maar nu ga ik eraan! Hij schiet onder de sofa uit – in deze onzekere tijden ligt hij niet meer onder de plaid maar onder het meubel zelf – langs de Braziliaan, die zich een kriek om hem lacht, en rent naar de voorkant van het huis. Maar daar is de werkster nog bezig!

De volgende dinsdag kruip ik, om zo’n toestand te vermijden, veel te vroeg paaiend op mijn buik onder de sofa om de angsthaas te redden en moet vervolgens, omdat we nergens anders heen kunnen, twintig minuten iets zinvols zien te verrichten op het terras, terwijl Leandro nog pas de ramen van de slaapkamer staat te zemen. Naar buiten gaan is trouwens alleen een oplossing als het droog is.

Afgelopen week regende het flink. Toen mijn kamer aan de beurt was, hebben Foobje en ik een kwartier lang op de trap naar de bovenburen gezeten. Met een boek en een balletje maar natuurlijk ook onder de vreselijke dreiging dat die doodenge buren opeens naar beneden zouden komen.