Een schizofreen met wapenvergunning

Tristan van der Vlis – de schutter die op 9 april in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn zes mensen doodde en zestien passanten verwondde voordat hij zichzelf van het leven beroofde – was een geestesziek jong mens. En toch beschikte hij geheel legaal over drie vuurwapens. Op grond van onderzoek post mortem concluderen gedragskundigen dat hij leed aan „schizofrenie van het paranoïde type” die aan het licht kwam na een geloofscrisis in zijn pubertijd. Christelijk opgevoed begon hij God de schuld te geven van het leed dat de wereld of hem werd aangedaan en zich „paranormaal onderzoeker” van de doden te noemen.

Van der Vlis ontwikkelde vooral belangstelling voor het bloedbad op Columbine High School in 1999, waar de daders als eerste een meisje doodschoten dat desgevraagd zei in God te geloven. Chronisch slaapgebrek, het verlies van zijn baan en van een apparaat waarmee hij onhoorbare stemmen dacht te horen, leidden zo tot een „psychotische belevingswereld” waarvan de schietpartij het suïcidale resultaat was.

Op hoofdlijnen was dit ziektebeeld al bekend. Hij had eerder gedreigd mensen dood te schieten. Hij had eerder afscheidsbrieven geschreven. Ook de politie wist ervan. In 2006 had ze assistentie verleend bij een gedwongen opname van Van der Vlis en dat ook gearchiveerd. Toch kwam die kennis niet boven water toen hij in 2008 weer verzocht om een wapenvergunning, die hem eerder was geweigerd. Vermoedelijk was het laksheid. De vraag is of het hierbij moet blijven.

Het feitenrelaas schetst een klassiek beeld van kopieergedrag. Dat is van alle tijden, al wordt dat via internet eerder gestimuleerd dan afgeremd. Maar dat wil niet zeggen dat dit altijd tot een bloedbad leidt. Er valt in formele zin dan ook weinig tegen copycatgedrag te doen.

De vergunning roept wel vragen op. De criteria om een wapenverlof te verstrekken zijn in Nederland toch niet streng genoeg. In het geval van Van der Vlis volstond de politie met een bewijs van goed gedrag. Een eerder proces-verbaal over een incident met luchtdrukwapen werd als te lang geleden terzijde gelegd. De indruk van de schietclub waarvan de jongen lid was, werd wel serieus genomen, hoewel schietclubs niet de meest aangewezen instellingen zijn voor een objectief oordeel over de geestesgesteldheid van hun leden. Bij de burgemeester, die van de gedwongen opname op de hoogte moet zijn gesteld, werd juist geen navraag gedaan. Dat laatste zou voortaan wel protocol moeten worden.

Natuurlijk is een aanscherping van de wapenwet geen garantie. Even over de grens in België en Duitsland zijn immers ook wapenwinkels. Maar een probleem kan groter of kleiner worden gemaakt. Dat laatste verdient de voorkeur. Wapenbezit is hooguit een gunst, geen recht.