Christelijk gemiereneuk zegt hen niets over God

Veel christelijke jongeren braken met de gereformeerde levensstijl van hun ouders.

Maar ze bleven gelovig en vinden elkaar nu via het jongerenwebforum Postrok.

Jan jr. en vrindinnetje Sanne

Streng gereformeerde jongeren kende ik, evenals ex-gereformeerden. Maar er bestaan, zo ontdekte ik, ook postgereformeerde jongeren. Ze hebben zich niet afgekeerd van het milieu waarin ze zijn opgegroeid, maar plaatsen wel kanttekeningen bij de zwaarmoedige geloofsbeleving en de soms wat vreugdeloze manier van leven van hun ouders. Voor feesten is geen plaats in de bevindelijk-reformatorische levensstijl en popmuziek, ook christelijke, is taboe. Zelfs God leren kennen is maar voor weinigen weggelegd. Maar, zo vinden de post-refo’s, hun orthodoxe opvoeding heeft ook goede kanten.

Gert, Hijmen, Hans en Jan zijn vier vrienden die elkaar hebben leren kennen op een internetforum voor gereformeerde jongeren. Toen het hen daar wat te benauwd werd, richtten ze een eigen forum op, Postrok (zie kader). Een gesprek over het postgereformeerde leven in de wereldse maatschappij.

Jan: „Ik kom uit de Christelijk Gereformeerde Kerk. Daar heb je dan op Urk weer drie varianten van, naast nog veertien andere denominaties die allemaal de waarheid in pacht menen te hebben. Als ik op Urk ben, kerk ik weleens bij de Gereformeerde Bond. Die verschilt alleen qua cultuur, de kerkgangers zijn er wat meer maatschappelijk geëngageerd. Maar als je je ogen dicht doet tijdens de preek merk je eigenlijk geen verschil.”

Hijmen: „Ho ho, dat is op Urk misschien zo, normaal kun je als fijnproever het verschil tussen CGK en Gereformeerde Bond echt wel horen.”

Wat is het verschil dan?

Gert (luide lach): „Heb je nog effe?”

Hijmen: „De gereformeerde gezindte is zo versplinterd als wat.”

Gert: „En meestal gaat het over onbelangrijke details.”

Hijmen: „De vraag of God de zondeval nu wel of niet voorzien had toen Hij de wereld schiep.”

Jan: „Het geschil tussen de supra- en de infra-lapsaristen.”

Hijmen: „Door dit soort kleine dingen zijn de afgelopen eeuwen allemaal splitsingen ontstaan.”

Jan: „Daar ben ik nog steeds heel erg boos over, dat gemiereneuk. Want wat zeggen dit soort dingen mij over God?”

Hans: „Ik geloof in God en in de Bijbel, maar bemoei me totaal niet met dogma’s, kerkelijke stromingen of wat dan ook. In die zin heb ik me losgemaakt van het wereldje. Aan de andere kant voel ik me er nog wel thuis.”

Is dat niet lastig soms?

Hans: „Nee, want ik ga de confrontatie niet aan. In de kerk waar ik vandaan kom, de Gereformeerde Gemeenten, wordt enorm gelet op uiterlijkheden, of je haar niet te lang is en dat soort dingen. Daarover discussies beginnen heeft geen enkele zin. Men heeft gewoon gelijk, punt. Het is een angst om te veranderen.”

Noem eens een voorbeeld?

Hans: „Het legging-verhaal, bijvoorbeeld.”

Gert: „Ach nee! Dat is te kansloos voor woorden.”

Hijmen: „Maar te mooi om het niet te noemen. Er stond pas een ingezonden brief in het Reformatorisch Dagblad van een oud-directeur van het computerbedrijf Baan. De duivel won steeds meer terrein in Nederland, zei hij, en een van zijn wapens was de legging. Want de legging kan onder een rok gedragen worden, maar is ook een beetje een broek. Daarmee kom je op een hellend vlak – want vrouwen horen geen broeken te dragen.”

Hans: „Ik kom uit kringen waarin mensen goedkeurend knikken bij zo’n brief.”

Wat maakt dat je je toch nog thuis voelt in dat geloof?

Hans: „Met de kernpunten ben ik het eens, dat de mens zondig is en dat je door Jezus tot het goede kan komen.”

Gert: „Dostojevski en Sartre. De zwarte randjes van de mens, dat bedoelt hij. Dat je eigenlijk altijd geneigd bent om kutdingen te doen. Het komt erop neer, Hans, dat je cultureel geen refo bent, maar inhoudelijk wel.”

Jan: „Natuurlijk is hij cultureel geen refo, hij maakt muziek, hij heeft zijn eigen studio. Dat valt totaal buiten het wereldje.”

Gert: „Ik vind het wel tof dat Hans nog aansluiting kan vinden bij de echte refo’s, mij lukt dat niet. In het gereformeerde geloof gaat het namelijk zelden over de existentieel duistere kant van de mens, maar meestal over de buitenkant. Ik ga nog wel naar de kerk, zo eens in de twee weken. Uit gewoonte en om inspiratie op te doen. Maar ik geloof niet meer dat Jezus gestraft is voor mijn zonden, dat strookt absoluut niet met mijn idee van een rechtvaardige God. Wel bedacht ik laatst, toen ik De traagheid van Kundera las, dat ik ethisch gezien nog altijd voortborduur op het calvinisme. Dat is niet per se erg, maar ik zal er waarschijnlijk wel eeuwig door gestempeld blijven.”

Hijmen: „Ik ben in eerste instantie van het geloof afgestapt en mezelf agnost gaan noemen. Omdat je niet kunt weten of het allemaal waar is. Grappig genoeg zie ik dat niet-weten de laatste tijd juist weer terug in het christendom, dus sinds kort noem ik me weer christen. Maar gevoelsmatig sta ik dichter bij een atheïst dan bij een hardcore refo.”

Hans: „Dat heb ik ook.”

Gert: „Wij kunnen met iedereen door een deur.”

Merken jullie in het dagelijks leven dat je ‘anders’ bent?

Hijmen: „We hadden geen tv thuis, dus als het over kinderseries van vroeger gaat, merk je dat je duidelijk een andere achtergrond hebt.”

Gert: „Ik doe mijn best om cultureel gezien de schade zo snel mogelijk in te halen. Een paar jaar geleden was ik in mijn geboortedorp in Zeeland op een bruiloft. Daar vertelde ik een paar van mijn oude vrienden dat ik niet meer alleen naar klassieke muziek luisterde. Ik noemde expres de Beatles en de Stones, omdat ik dacht dat ze die nog wel zouden kennen. Maar nee. Britney Spears kenden ze wel, omdat die in onze jeugd op de hitlijst stond en ze stiekem naar de radio luisterden.”

Jan: „Ja, ik ook! Sky Radio. Na een paar weken hield ik er weer mee op, omdat ik me zondig voelde.”

Gert: „Bij mij ging het precies zo!”

Jan: „Toen ik in Leiden ging studeren, kwam ik erachter dat er ook alternatieve, fijnzinnige muziek bestond. Johnny Cash is mijn grote held geworden. Hij leerde me hoe ik in het leven moet staan.”

Hans: „Ik was minder braaf dan jullie. Op mijn twaalfde luisterde ik al veel naar muziek, happy hardcore en andere housemuziek. In het geheim, met een walkman onder de dekens. Juist als je zo in het donker luistert terwijl het niet mag, wordt het een heel diepe ervaring. Als mijn ouders het prima hadden gevonden, zou ik nu nooit zo intensief met muziek bezig zijn geweest.”

Dus eigenlijk hebben jullie niks overgehouden van een jeugd vol verboden?

Jan: „Ik vind dat ik veel goede dingen heb meegekregen in mijn opvoeding. Zoals het idee dat oppervlakkig genot niet iets is om naar te streven.”

Hans: „Ik kijk met een heel positief gevoel terug op mijn jeugd, ondanks de bekrompenheid.”

Hijmen: „Er is wel een tijd geweest, in mijn puberteit, dat het allemaal redelijk donker was. De onzekerheid over wat je eigenlijk op deze aardbol deed, maar ook door alles wat niet mocht.”

Hans: „Dat is waar. Nu voelt het niet meer zo, maar toen was het een behoorlijk zwarte tijd.”

Hijmen: „Op dit moment heb ik weer goed contact met mijn ouders.”

Gert: „Ik ook, ik heb superlieve ouders, ik verwijt hun niks. Wat mij frustreert, is mensen die menen overal een antwoord op te hebben.”

Jan: „Precies. Wij zijn opgegroeid in een kring waar mensen pretenderen de waarheid te kennen. Later blijkt dat dat helemaal niet zo is. Dus nu zit ik met de vraag: wie ben ik? Iemand die zoekend is. Die zijn eigen weg in het leven moest vinden en daar nog steeds mee bezig is. Ik neem mijn ouders dat niet kwalijk, maar wel de kring waar ik uit voortkom.”