Al tien jaar worden onze tien tijdvakken tegengewerkt

Elk jaar stampen leerlingen twee willekeurige historische onderwerpen in hun hoofd. Onderwijs liever historisch besef, stelt Piet de Rooy c.s.

In het bekende gedicht van Hendrik Marsman, Herinnering aan Holland, zien we brede rivieren traag door oneindig laagland gaan. Dit rivierwater is niet het enige wat nogal traag gaat in Nederland.

Een langdurige stammenstrijd over de aard en de opzet van het geschiedenisonderwijs werd in januari 2001 beslecht met het rapport Verleden, heden, toekomst, van de Commissie Historische en Maatschappelijke Vorming (CHMV). Dit rapport werd begroet als grondig, genuanceerd, inspirerend en verstandig. Het hoofdredactioneel commentaar van deze krant (23 februari 2001) voegde daaraan toe dat een „algemene en toetsbare canon voor het curriculum” was voorgesteld, „zonder de individuele benadering van de leraar, die cruciaal is voor succes, te ondermijnen”. Een spoedige doorvoering van dit plan leek vast en zeker.

Dat bleek buiten de waard gerekend. De stammenstrijd werd voortgezet met andere middelen.

Voor het verschijnen van het rapport ging de strijd over de – kunstmatige – tegenstelling tussen ‘vaardigheden’ en ‘kennis’. Vrij snel werd een ander slagveld gevonden – de toetsbaarheid. In Nederland geldt kennelijk het adagium dat onderwijs pas goed is als het relatief simpel te toetsen is. De toetsenmakers van Cito vinden dat een toets deugdelijk is als op elke vraag één juist antwoord bestaat. Ze stellen prijs op uitvoerige beschrijvingen van de leerstof. Zo kan de materie één op één worden teruggevraagd.

Zulke omschrijvingen zijn over een algemeen overzicht van de geschiedenis moeilijk te geven. Vandaar dat jaarlijks twee examenonderwerpen worden gekozen. Die worden ruim van tevoren uitvoerig toegelicht, in allerlei drukwerk.

De havo- en vwo-leerlingen die dit jaar examen deden, weten nu alles van ‘Dynamiek en stagnatie in de Republiek’ en ‘Dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam’. De keuze van dergelijke onderwerpen is het resultaat van willekeur. Het blijft bovendien geheel onduidelijk of de leerlingen iets hebben begrepen van de rest van de geschiedenis. Het gevaar is dat leerlingen alles onderwezen kregen over de Republiek en over Vietnam, het zogeheten teaching to the test, en voor de rest niets te weten komen.

In het rapport Verleden, heden, toekomst werd een andere methode bepleit. Scholieren zou een overzicht van de geschiedenis worden aangeleerd. De geschiedenis zou worden onderverdeeld in tien tijdvakken. Leerlingen zouden ook niet in de les behandelde vragen moeten kunnen beantwoorden. Ze zouden in staat zijn om gebeurtenissen en processen in hun historische context te plaatsen. Het beoogde resultaat van het onderwijs zou niet zozeer reproductie, maar toepassing van kennis zijn.

Iets nieuws invoeren, dat gaat natuurlijk niet zomaar. Daarom werden eerst proefprojecten georganiseerd, om te bekijken of het nobele doel uit het rapport wel bereikbaar was. Tussen 2004 en 2010 werden pilots uitgevoerd. De conclusie was dat de nieuwe manier van examineren mogelijk was en dat het onderwijs voor leerlingen en leraren interessanter was geworden.

Na allerlei vergaderingen, nota’s van ‘tussencommissies’ en wat dies meer zij verstuurde het ministerie van Onderwijs vorige maand een brief aan het College voor Examens. Daarin stelt het departement dat de nieuwe manier van examineren weliswaar mogelijk is en zelfs „vele voordelen kent”, maar dat het tegelijkertijd „enkele problemen” oplevert voor de examenmakers. Weer ging het over de toetsbaarheid. Sommige tijdvakken moesten dus maar in een syllabus worden voorzien van nadere omschrijvingen, „verdikkingen” genoemd.

Zo zijn we toch weer op de weg gekomen die tien jaar geleden werd verlaten. Die ‘verdikkingen’ lijken verdacht veel op de oude examenonderwerpen – stof die ouderwets uit het hoofd moet worden geleerd en na het examen weer zo snel mogelijk wordt vergeten, zoals uit elk onderzoek blijkt.

Hierdoor blijft het probleem van ontoereikend geschiedenisonderwijs bestaan.

Het commentaar in deze krant had indertijd een voorspellende waarde. Na alle waardering voor de voorstellen werd daarin waarschuwend opgemerkt dat de vernieuwing nog niet zo eenvoudig zou zijn. „De kampen hebben zich dermate ingegraven, dat ze zich niet met één druk op de knop tot de orde laten roepen.”

De kampen hebben zich wat aangepast. De strijd houdt aan. Kan het kabinet, waarin twee historici een prominente functie vervullen, niet eens zoeken naar die knop?

Piet de Rooy was voorzitter van de Commissie Historische en Maatschappelijke Vorming (CHMV). Arie Wilschut is hoofddocent geschiedenis aan de Hogeschool van Amsterdam, voormalig secretaris van de CHMV en projectleider bij experimenten met het examen nieuwe stijl. Hans Blom bezet de Cleveringa-leerstoel aan de Universiteit Leiden en is voormalig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Cor van der Heijden is geschiedenisleraar met ervaring in het oude en in het nieuwe examenprogramma.