Aantonen dat iets niet deugt is onvoldoende

Het Amerikaanse ProPublica won twee Pulitzerprijzen met onderzoeksjournalistiek. De impact van de verhalen moet zo groot mogelijk zijn.

Memorial Medical Center Nurse Mary Jo D'amico fans a patient in the hospital's parking garage waiting for helicopter transport from New Orleans, Thursday, Sept. 1, 2005, in the wake of Hurricane Katrina. (AP Photo/The Dallas Morning News, Brad Loper) ** MANDATORY CREDIT: NO SALES, MAGS OUT, TV OUT, INTERNET: AP MEMBERS ONLY ** ASSOCIATED PRESS

Hoewel ProPublica voor een journalistieke organisatie piepjong is en haar verhalen op het web publiceert, lijkt het niet op een typische startup. Geen shabby bedrijfspand of rondslingerende pizzadozen, maar een kraakhelder, licht kantoor op de drieëntwintigste verdieping van een fraai pand op het zuidelijkste stukje van Broadway.

ProPublica is dan ook geen gewone startup. Een beginnend bedrijf krijgt immers niet meteen voor drie jaar een budget van 10 miljoen dollar per jaar toegezegd van een paar steenrijke voormalige bankiers, geheel naar eigen inzicht te besteden aan onderzoeksjournalistiek. Een gewone startup begint niet met met iemand als Paul Steiger aan het roer, zestien jaar lang hoofdredacteur van The Wall Street Journal, de grootste krant van de Verenigde Staten. De verwachtingen waren meteen hoog gespannen toen Steiger en beide financiers, Herb en Marion Sandler, in 2007 aankondigden wat ze van plan waren. Binnen de kortste keren lagen er meer dan duizend cv’s in de bus van journalisten die daar wel wilden werken.

Intussen werken er ruim dertig mensen, onder wie twintig verslaggevers. Onder leiding van Steiger, zijn adjunct Steve Engelberg en vier zware eindredacteuren produceren zij per jaar iets meer dan honderd verhalen die behalve op hun eigen website ook verschijnen in kranten en tijdschriften, en in een aantal gevallen op radio of televisie. De lijst van journalistieke prijzen die ze in drie jaar binnensleepten past al lang niet meer op één kantje. Bovenaan staan twee Pulitzers, de meest prestigieuze journalistieke onderscheidingen in Amerika, in 2010 en in 2011. Wat is het geheim van ProPublica?

Er zijn vier dingen die het bedrijf anders maken dan de meeste journalistieke organisaties: de missie, het publicatiemodel, de financiering en de onderwerpkeuze.

„Onze missie is veranderingen te bewerkstelligen”, zegt directeur-hoofdredacteur Steve Engelberg, die eerder onder meer leiding gaf aan het onderzoeksteam van The New York Times. ProPublica is niet tevreden als ze hebben aangetoond dat er ergens iets niet deugt; veel onderzoeksjournalistiek houdt daar op. Engelberg: „Het gaat er niet alleen om aan te tonen dat iets niet goed functioneert, maar ook dat je er wat aan kan doen. Het is voor onze lezers prettiger om te weten dat verbetering mogelijk is. We stampen het er bij onze verslaggevers dan ook in: zoek uit of er best practices bestaan. Waar zijn die? Hoe werken die?”

Dit betekent echter niet dat ProPublica vervolgens actie gaat voeren en ook niet dat de organisatie een politieke agenda heeft. Wel dat impact een overweging is bij vrijwel alle keuzes die ze maken. Zoals waar en hoe te publiceren.

Voor de publicatie van een verhaal werkt ProPublica doorgaans samen met andere media. „Wij leveren een vrijwel af product. In die zin lijkt onze relatie met een krant of tijdschrift op die van een medium met een freelancer.” Met één groot verschil: ProPublica levert de kopij gratis. De organisatie heeft dan ook een ruime keus aan publicatiepartners.

Dat wil niet zeggen dat de grootste of de belangrijkste voorgaat, zegt Engelberg. Impact, daar gaat het om. Soms is de keuze evident: voor een verhaal over aanhoudende misstanden in de verpleging in California werd samenwerking gezocht met de The Los Angeles Times. In het weekeinde verscheen het verhaal, op maandagmorgen ontsloeg gouverneur Arnold Schwarzenegger de halve nursing board en kondigde hij verbeteringen aan. Dat is impact. Soms is de keuze minder voor de hand liggend: met een verhaal over gasboringen in de staat New York die lekkage in onderaardse drinkwaterreservoirs kan veroorzaken, hadden ze naar The New York Times kunnen gaan. „We kozen voor de Times-Union in Albany: de hoofdstad van de staat New York, daar zitten de gouverneur, de ambtenaren en de wetgevers die erover gaan. Die lezen in elk geval die krant.” De gouverneur schortte de verlening van de vergunning voor de boringen op en stelde er later beperkende voorwaarden aan.

Soms gaat de samenwerking met een ander medium verder dan alleen publiceren van onderzoek van ProPublica. Ze doen dan het onderzoek samen met een journalist van dat medium. Engelberg: „Dat is vooral aantrekkelijk als die heel specialistische expertise heeft, of wanneer hij juist onze expertise zoekt.”

Bovendien deelt ProPublica databases en kennis die de organisatie heeft opgedaan met andere media, zoals bij het onderzoek ‘Dollars for Docs’ over betalingen van farmaceutische bedrijven aan artsen. „Partners hebben op basis van onze data eigen onderzoek gedaan: The Boston Globe richtte zich op de rol van Harvard Medical School; de Chicago Tribune op wat er in Illinois gebeurde, Consumer Reports organiseerde een enquête onder patiënten, PBS maakte er een televisieprogramma over. Zo hebben we verschillende markten bereikt zonder dat we zelf in al die markten verhalen hoefden te maken.” Dat ProPublica andere media niet ziet als concurrenten maar als potentiële partners, komt door hun ideële missie en door de manier waarop ze worden gefinancierd.

Dankzij de financiering van het echtpaar Sandler hoeft ProPublica hoeft niet op zoek naar abonnees of adverteerders. Wel accepteert de organisatie sinds kort in beperkte mate advertenties op haar website en in de e-mail nieuwsbrief. Ook zoeken ze naar meer financiers: het is de bedoeling de bijdrage van de Sandlers geleidelijk terug te brengen. Vorig jaar haalde ProPublica bijna 4 miljoen dollar uit andere bronnen, vooral van stichtingen en van andere miljonairs. De bijdrage van de Sandlers kon terug naar 6 miljoen. Het streven is hun aandeel terug te brengen naar 20 procent, maar Engelberg verwacht dat dit nog wel enkele jaren zal duren. Gewone lezers – niet-multimiljonairs – kunnen ook doneren. Het gaat om kleine bedragen, gemiddeld 41 dollar per persoon, maar inmiddels wel om duizenden mensen.

Zijn andere media niet jaloers op ProPublica? „Soms”, zegt Engelberg. „Ik voel me ook wel eens een beetje schuldig. Toen ik adjunct-hoofdredacteur was van The Oregonian hadden die krant 420 redacteuren, nu nog 205. Veel kranten hebben nog maar de helft van hun redactie over in vergelijking met vijf jaar geleden. Toch zijn ze niet veel dunner geworden, én hebben ze er Facebook en Twitter bij gekregen. De werkdruk is enorm toegenomen. We weten nog niet wat dit zal doen met de journalistiek.” Hij noemt zijn huidige werkplek ‘een paradijs’. „Het is een voorrecht om dit te kunnen doen.”