Volleyballers zonder toppers in de krochten van Europa

De volleyballers worden nog altijd geconfronteerd met hun ‘gouden’ voorgangers.

Nu veel toppers niet voor Nederland spelen, lijkt nieuw succes verder weg dan ooit.

Er zijn momenten dat de volleybalinternationals zouden willen dat Nederland vijftien jaar geleden in Atlanta geen olympisch kampioen was geworden. Houdt de vergelijking met het topteam van weleer ooit op? Spelen in de schaduw van goud kan behoorlijk frustrerend zijn, weet spelverdeler Nico Freriks;, met bijna 300 caps de meest ervaren speler van de huidige selectie. Zijn mening is duidelijk: „Het verleden is onbelangrijk.”

Freriks vertolkt een breed gedragen gevoel. Maar niemand in ‘volleyballand’ is in staat de schimmen uit het verleden te verjagen. Verstandelijk geredeneerd weet iedereen dat de geschiedenis geen garantie voor de toekomst biedt. Maar dat gevoel van de haalbaarheid van goud is daarmee niet weggenomen. Hoe diep ook weggestoken, de hoop op herhaling van ‘Atlanta’ blijft.

De rauwe werkelijkheid is echter dat Nederland in de krochten van Europa volleybalt. Het nationale team plaatste zich niet voor de Europese en wereldkampioenschappen en heeft een troebel uitzicht op de Olympische Spelen van volgend jaar in Londen. De European League, een competitie voor B-landen, is momenteel het niveau waarop Nederland acteert.

Wie Nederland afgelopen weekeinde tegen Spanje de laatste twee groepswedstrijden in de European League zag spelen, weet dat gouden successen op korte termijn een utopie zijn. Aan welwillendheid, passie en spelvreugde geen gebrek. Wel aan niveau. Mondiaal niveau, welteverstaan. Naar die maatstaven gemeten beschikt de nieuwe bondscoach Edwin Benne over een team met beperkte mogelijkheden.

Niet dat Nederland voor zijn doen slecht speelde in het Rotterdamse Topsportcentrum. Helemaal niet. Maar Benne kan (nog) niet werken met de beste Nederlandse volleyballers. En dat maakt de positie van het nationale team zo tragisch. Niet alle topspelers zijn beschikbaar. Benne moet het vooralsnog doen met aanstormende talenten, aangevuld met routiniers als Freriks, Jan-Willem Snippe en Jeroen Rauwerdink.

Het is even wennen aan namen als Nimir Abdelaziz, Sjoerd Hoogendoorn, Floris van Rekom, Bas van Bemmelen, Tony Krolis of Gijs Jorna. Waar zijn spelers als Robert Horstink, Dick Kooy, Rob Bontje, Wytze Kooistra, Niels Klapwijk, Kay van Dijk, Jeroen Trommel en Yannick van Harskamp? Op Horstink na waren die volleyballers er vorig jaar bij toen nog in de World League werd gespeeld en de uitwedstrijd tegen wereldkampioen Brazilië sensationeel met 3-0 werd gewonnen. Nu hebben ze geen tijd, geen zin, privébezigheden als trouwen, motivatieproblemen of zijn te vermoeid na een zwaar clubseizoen.

Op zichzelf legitieme redenen om even te passen voor het Nederlands team, ware het niet dat prestaties op topniveau een volledige overgave van spelers vraagt. En die bereidheid ontbreekt bij de betere spelers. Neem Kooy, een passer/loper die enige weken terug uit de selectie stapte omdat hij het niet langer kon opbrengen te trainen met spelers onder zijn niveau. Zo zei hij het niet letterlijk, maar daar kwam zijn klacht wel op neer. Pas als Nederland het olympisch kwalificatietoernooi mag spelen, valt er weer met hem over een terugkeer te praten.

Of neem Horstink, die het niet meer kan opbrengen na een zwaar clubseizoen in Italië de zomer bij de nationale ploeg door te brengen. Hij prefereert een vakantie. En ook bij Horstink speelt mee dat Nederland is weggezakt. Hij is wel te porren voor EK’s, WK’s en Olympische Spelen, niet voor de European League.

Bondscoach Benne zit er maar mee. Hij wil vooruit, maar wordt geconfronteerd met onwilligheid van de beste Nederlandse spelers. Freriks maakt daarop een uitzondering, zelfs als hij tijdens de European-Leaguewedstrijden de stand-in van het grote talent Abdelaziz is. Hij gaat uit van het teambelang. Freriks: „Zolang ik nog progressie zie bij anderen en zolang ze mij nog kunnen gebruiken, steek ik al mijn energie is de nationale ploeg. Die jonge spelers hebben ondersteuning nodig. Dat weet ik nog uit de tijd dat ik bij het Nederlands team kwam. Als ik niet in deze ploeg zou geloven, zou ik niet elke dag van Limburg naar de training in Rotterdam rijden. Ik vind het heel gemakkelijk om te zeggen: het is niet mijn niveau en ik doe niet langer mee. Een topspeler moet met tegenslagen kunnen omgaan.”

Rauwerdink is uit hetzelfde hout gesneden als Freriks. Hoewel hij vindt dat de beste volleyballers in de nationale ploeg horen, wil hij voorkomen dat de Nederlandse selectie een duiventil wordt. Wie niet wil, moet maar wegblijven. „Spelers die niet goed weten wat ze willen of niet honderd procent gemotiveerd zijn, passen niet in deze spelersgroep. Neem zo’n jongen als Krolis. Komt later bij de selectie, maar is wel bereid zijn vakantie van twee maanden op Curaçao ervoor op te geven. Dat vind ik klasse. Die types wil ik er graag bij hebben.”