Vanuit een doodstil kantoor de euro redden

Als EU-leiders besluiten een probleemland te steunen, komt het stabiliteitsfonds in actie. De dagelijkse leiding is in handen van een Neder- lander van nog geen dertig.

Kale muren, lege planken, standaard bruin kantoormeubilair. De eerste indruk die je krijgt als je binnenstapt bij het noodfonds van eurolanden in Luxemburg, is er één van efficiëntie en spaarzaamheid. Er is niet eens een keukentje. „We willen het zo slank mogelijk houden”, bevestigt Kalin Anev, een jonge Nederlander die de dagelijkse, operationele leiding heeft over de European Financial Stability Facility (EFSF).

Bij het noodfonds werken dertien mensen uit zeven landen. Het huist op de derde verdieping van een

onopvallend kantoorpand in het zakendistrict Kirchberg, boven een Luxemburgse bank en naast een winkelcentrum. Het EFSF werd een jaar geleden opgericht, vooral als afschrikmiddel.

Eurolanden hadden in april 2010 110 miljard euro aan bilaterale leningen aan Griekenland toegezegd toen dat land failliet dreigde te gaan. Een fonds – een ‘pot geld’ – was hen te Europees. Maar financiële markten begonnen meteen te testen of zij ook zulke bedragen konden ophoesten voor andere zwakke eurolanden, zoals Ierland en Portugal. Toen begrepen regeringen dat het probleem systematisch was, en dat het fonds er moest komen.

In juli startte het EFSF. In september gaven kredietbureaus het predicaat ‘superveilig’ aan de obligaties die het uitgeeft – een hele toer, omdat maar zes van de toen zestien eurolanden zelf dit ‘triple A’ (AAA) hebben. Intussen verstrekt het fonds leningen aan Ierland en Portugal. Het fonds is niet betrokken bij leningen aan Griekenland, maar krijgt waarschijnlijk een rol bij het tweede pakket leningen aan het land. De ministers van Financiën vergaderen vandaag over dit pakket.

Kalin Anev (1982), een bedrijfskundige die in Bulgarije werd geboren en als kind naar Nederland verhuisde, heeft oprichting en ontwikkeling van het fonds van dichtbij meegemaakt. Vorig jaar mei werkte hij bij de Europese Investeringsbank toen euroministers de EIB vroegen het noodfonds te helpen opzetten.

De EIB is de grootste publieke uitlener ter wereld. Zij financiert tezamen met overheden, projecten namens de EU. Veel van die projecten hebben dezelfde financiële structuur als het EFSF. Als de EIB het noodfonds zou opzetten, inclusief registratie en boekhouding, hoefden ministers het wiel niet opnieuw uit te vinden. En het was goedkoper.

De klus kwam terecht bij Anev, die daarvoor als consultant bij McKinsey werkte en bankervaring had opgedaan bij JP Morgan in Londen. Met het hoofd van het EFSF, Klaus Regling – voormalig topambtenaar van Duitsland bij het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Commissie – begon hij gesprekken met de Duitse Finanzagentur, die de emissies van het EFSF zou uitvoeren (de Agentur geeft Duitse staatsobligaties uit). Ook politici en hoge ambtenaren uit de lidstaten waren bij de oprichting betrokken. Een van hen, de Nederlander Maarten Verwey, „speelde een grote rol”, zegt Anev. „Hij was prominent.” Verwey wordt in september adjunct-directeur-generaal onder eurocommissaris Rehn (Economische en Monetaire Zaken).

In februari stapte Anev over naar het noodfonds. Hij houdt contact met hoofdsteden (topambtenaren van Financiën zijn aandeelhouders van het EFSF), en heeft boekhouding, personeelsbeleid en automatisering onder zijn vleugels. Het EFSF mag een steeds belangrijker rol spelen in de crisisbestrijding – maar het kan niet op eigen houtje geld van belastingbetalers uitgeven, zoals sommige Nederlanders beweren.

„Wij voeren alleen beslissingen van ministers uit”, benadrukt Anev. „Landen geven geen geld, maar financiële garanties. Met die garanties leent het fonds op de kapitaalmarkten goedkoop geld. Dat lenen we tegen hogere rente door aan Ierland en Portugal. Vandaag heeft Ierland weer rente overgemaakt. Uitlenende landen maken dus al winst. Die blijft voorlopig bij het fonds, als kapitaalbuffer. Zo’n buffer maakt het voor investeerders extra veilig onze obligaties te kopen.”

Na een eerste emissie in januari deed het EFSF er afgelopen weken twee vlak na elkaar: één van 5 miljard met een looptijd van tien jaar, en één van 3 miljard met een looptijd van vijf jaar. Investeerders kwamen er gretig op af en boden meer dan nodig was. Bij de laatste, op 22 juni, bestond meer dan de helft uit institutionele beleggers: pensioenfondsen, centrale banken en banken.

Grofweg de helft kwam uit Azië, eenderde uit de eurozone en de rest uit andere werelddelen. Klaus Regling reist vaak naar Azië. Aziaten hebben geld en zoeken veilige beleggingen in Europa, nu ze niet alles meer in de VS willen beleggen.

Het is doodstil op de gang. Iedereen werkt met de deur open – ook Regling, een bedaarde man die, zegt men, persoonlijk door eurogroepvoorzitter Jean-Claude Juncker is voorgedragen. In korte tijd heeft hij een solide reputatie opgebouwd. Van de hectiek in euroland is in zijn kantoor weinig te bespeuren. Hij komt net terug van een reis en maakt een babbeltje, maar laat het officiële woordvoerderschap voor eenmaal graag aan Anev over.

Het is een fabeltje, zegt deze, dat het fonds iets te zeggen heeft over wie geld krijgt en wanneer. „Ministers geven ons instructies. Dan komen we pas in actie. Ik heb bijna dagelijks contact met ambtenaren op de ministeries, onze aandeelhouders. Voor Nederland was dat tot nu toe Klaas Knot, en daarvoor Ronald Gerritse. Knot is naar De Nederlandsche Bank gegaan, Gerritsen leidt nu de Autoriteit Financiële Markten. Nu neemt Hans Vijlbrief het over, de nieuwe thesaurier-generaal. Ik bedoel maar: deze mensen, die ministersbesluiten voorbereiden, zitten er bovenop. Hun collega’s uit andere landen net zo.”

Financiële ‘technici’ klagen vaak dat politici te traag opereren in de schuldencrisis. Volgens hen zijn er genoeg snelle oplossingen om de turbulentie op financiële markten te stoppen, zoals de uitgifte van euro-obligaties. Anderen willen het noodfonds ongelimiteerd staatsobligaties laten opkopen. Ministers willen dit niet. Volgens Anev, die politici en techneuten van dichtbij ziet opereren en in het oog van de storm zit, is het fonds zelf géén voorbeeld van traagheid. „Het is in no time opgericht. Moet u zien hoeveel we doen, vergeleken met een jaar geleden. We doen onze operaties ongeveer met een druk op de knop. Zodra we groen licht krijgen, doen we hup, een emissie. Dat gaat soepel. Wij zijn een voorbeeld van hoe snel Europa kan reageren.”

Anev is een politiek dier. Zo was hij actief in het bestuur van de JOVD. Maar politieke meningen mag hij in zijn huidige functie niet uitventen. Van hem dus geen stevige uitspraken over onderwerpen waar ministers over twisten, zoals banken die meebetalen aan leningen aan eurolanden, de rentes die Griekenland betaalt of de potentiële rol van het fonds bij extra leningen aan Griekenland. Wel geeft hij toe dat Nederlanders erg sceptisch zijn over die leningen, vergeleken met bij voorbeeld Belgen of Fransen.

Anev brengt veel weekenden buiten Luxemburg door, maar hij gaat vooral naar Londen, omdat zijn partner daar woont. Áls hij in Nederland is, „moet ik constant uitleggen dat Nederland er belang bij heeft dat er een goede oplossing komt voor Griekenland. Mensen beseffen te weinig dat Europa erg belangrijk is voor de Nederlandse economie. Daar moet je als land in investeren. Deze crisis gaat óók over ons. Nederlanders lijken dat soms te vergeten.”

Terugkijken naar wat de Grieken allemaal fout hebben gedaan, lost niets op. „We moeten vooruitkijken. Daar gaat deze crisis over: rechtzetten wat nodig is. Zodat we ons straks weer op economische groei kunnen concentreren.”