Rollade

Gesink had pijn. Al dagen. We zagen het, we hoorden het uit zijn mond. Zijn ledematen waren ingesnoerd met elastieken netjes. Gesink als rollade op de fiets. Het bloed liep in straaltjes uit het vlees.

Niets is zo moeilijk uit te leggen als pijn. Gesink is er de afgelopen dagen zo vaak naar gevraagd en de antwoorden waren altijd onbevredigend. De opengesperde mond in het smalle gezicht tijdens een etappe vertelde eigenlijk nog het meest. Ja, hij had pijn. Maar hoeveel pijn?

Kom als man niet bij een vrouw aan met een verhaal over pijn: „Ach jongen, ben je gevallen? Bevallen, dát doet pas pijn.”

Gisteren was het de Grote Valdag. Hoogerland hing in het prikkeldraad, Vino brak na een salto zijn dijbeen, Van den Broeck lag met een gebroken schouderblad in de kreukels. Fietsen gaat van au.

Toch valt er met pijn te rijden op een fiets. Dat bewezen talloze wielrenners. Ze rijden door met abcessen op het zitvlak, scheurtjes in botten, schaaf- en snijwonden, hersenschuddingen en bloeduitstortingen. Wie na een val op een fiets gaat zitten, rijdt weer en heeft een kans de finish te halen.

Fietsen heelt alle wonden.

„Het lichaam wil niet vooruit”, zei Gesink zaterdag na afloop. Dat zou kunnen. Ik kreeg de indruk dat vooral het hoofd na afloop niet meer vooruit wilde. Gesink had tijdens de klim van de tweede categorie even op kop gereden. Dat kon het lichaam dus wel. Wat was dat dan geweest? Een dwaalspoor voor de concurrentie wellicht.

Terwijl Gesink twijfelde of doorrijden zo nog wel zin had, kwam ploegmaat Bauke Mollema met het verhaal dat Gesink onderweg tegen hem had gezegd dat hij zich goed voelde. ’s Avonds meldde directeur Erik Breukink namens de Raboploeg „dat er eigenlijk niks bijzonders aan de hand was”.

Gesink staat te boek als een perfectionist. Hij laat niets aan het toeval over. Zijn steun en toeverlaat in de ploeg is Louis Delahaye, de man die met zijn trainingsschema’s, tests en berekeningen de gezondheid en de vorm van Gesink in kaart brengt.

Cijfertjes bepalen het humeur van Gesink. Hij straalt als je de muur van zijn kamer behangt met reeksen van de hartslag, wattage, bloedwaarden en zuurstofopname. Die rijtjes zagen er vooraf bemoedigend uit. Iedereen wreef zich in de handen. Robert was een jongen met een prachtig rapport dat naar succes moest leiden.

Toen viel Gesink.

Een perfectionist en een val; dat combineert slecht. Dat zeurt in het hoofd dat op het hoofdkussen van het hotelbed niet ophoudt te malen. Staren naar het plafond. Terugdenken aan de dramatische dood van zijn vader vorig jaar. Twijfelen of hij wel echt in vorm is.

Het lichaam protesteerde, de geest wilde maar niet waaien. Als de Tour op niemand wacht, dan al helemaal niet op piekeraars.

Johnny Hoogerland liet gisteren zijn tranen de vrije loop toen hij de bolletjestrui aantrok. Zijn vlees had na zijn val vastgezeten aan prikkeldraad. Hij viel en stond weer op: Johnny als een gehavende Jezus in het peloton. Hij huilde vanwege zijn wonden.

Hoogerland koesteren we als nieuwe leider van het pijnlijdersklassement. De malheur van Gesink is alweer vergeten. Hij moet een gepaste stilte in acht nemen voor de uitvallers en na het dagje rust van vandaag gewoon hard gaan trappen.