Over beamers en uistekers

BEAMER. In aansluiting op Woordhoek van vorige week hier nog een woord dat in de moderne tijd averij heeft opgelopen: beamer. De meeste mensen horen bij het lezen van dit woord biemer, voor een digitale projector. Vóór de introductie van dit apparaat werd dit woord heel anders gelezen en uitgesproken, namelijk als be-amer. Een beamer was iemand die iets beaamde, ergens mee instemde.

Is dat niet vergezocht? Beamen is geen ongewoon woord, hoewel sommige mensen dit nu als ‘biemen’ zullen lezen in plaats van als be-amen. Maar was er werkelijk een tijd dat de afleiding beamer (lees: be-amer) in het Nederlands werd gebruikt?

Ik geef u twee voorbeelden. 1950, de volksschrijver Willem van Iependaal, in Behouden vaart: „Met dat dikopgelegde verlossertje spelen was, volgens de conducteur en diens beamers, de aap uit de mofse mouw gekropen: tienduizenden Belgische arbeiders waren onder allerlei voorwendsels naar Duitsland getransporteerd om slavendiensten voor hun vijand te verrichten.”

Twee: 1981, Ethel Portnoy, in Het ontwaken van de zee: „Het past niet in het beeld dat ik van hem heb, de onveroorzakende beamer, de gelaten waterplant die meegolft met de stroom.”

Er zijn meer voorbeelden van be-amers te vinden, maar na 1995 drogen ze helemaal op. Voorlopige conclusie: voor de be-amer is de averij zo zwaar geweest dat dit woord kopje-onder is gegaan. Blijft over de biemer, een apparaat dat volgens sommigen in het Engels alleen bekend staat als multimedia of video projector. Als dit juist is – de bronnen spreken elkaar tegen – zien we hier dus een voorbeeld van een Nederlands woord dat is verdrongen door een pseudo-anglicisme.

UISTEKEND. Opeens stond het er: uistekend. Ik wist zeker dat ik uitstekend had getikt, mét een t dus, maar dat stond er niet. Nu krijg ik automatisch een waarschuwing als ik woorden tik die Word niet kent, in de vorm van een rood kringellijntje onder zo’n woord, maar niet bij uistekend. Dat komt – zo neem ik aan – omdat uien uit de grond worden gestoken. Wie uien steekt, is dus uistekend bezig. Van Dale kent uistekend niet, noch de uisteker of uiensteker, maar voor Word zijn dit allemaal goede bekenden, dus geen rode kringellijntjes.

Als ik zo’n fout maak, dan maken anderen ’m ook, en als Word de fout niet corrigeert, dan zal hij wel geregeld voorkomen, meende ik.

Is dat echt zo? Nog veel vaker dan ik dacht. Uistekend: ruim 84.000 maal op internet. En uistekende zelfs 396.000 keer.

Nu kunnen daar in theorie heuse uistekers tussenzitten, maar er zijn weinig twijfels bij uistekend onderhouden, uistekend hotel en uistekend politicus (ik weet het, dit zóú kunnen, maar ik vermoed dat „uistekend politicus verlaat Nederlandse politiek” echt niets met uien te maken heeft).

Op internet komen de raarste fouten voor, soms zelfs in hoge aantallen. Daarom zijn kranten een betere graadmeter, want als het goed is zijn krantenteksten eerst gecontroleerd door bekwame eindredacteuren.

Toch zijn er ook in kranten honderden voorbeelden te vinden. Een kleine greep uit de afgelopen maanden: „een uistekend jaar” (Het Laatste Nieuws), „een uistekende organisatie” (Haarlems Dagblad), „uistekend didactisch materiaal” (De Krant van West-Vlaanderen), „een uistekende kans” (Metro), enzovoorts.

Moet de hand ook in eigen boezem worden gestoken? Vinden we deze curieuze fout ook in de krant van denkend Nederland? Niet met een hoge frequentie, maar hij komt voor. Zo zei iemand volgens deze krant in januari van dit jaar over superbelegger Peter Paul de Vries: „Ik vind Peter Paul een uistekend ondernemer.”

Kleine suggestie voor de ontwikkelaars van spellingcheckers: de kans dat mensen die uistekend intikken dit werkelijk bedoelen lijkt mij zo klein, dat een kringellijntje mij zeer op z’n plaats lijkt.

Op 8 augustus wordt Woordhoek hervat.