Links heeft de grenzen opengezet

Mythe: Links is verantwoordelijk voor de massa-immigratie van niet-Westerse allochtonen vanaf de jaren zestig. De naïeve, linkse en kosmopolitische elite heeft niet alleen die mensen hierheen gehaald, maar heeft daarna ook zijn kop in het zand gestoken voor de problemen van de multiculturele samenleving.

Dat is de heersende opvatting in het migratiedebat, dat nu al zo’n tien jaar wordt gevoerd, en dat is vooral de verdienste van Fortuyn, die zeer succesvol was in het wegzetten van de ‘linkse kerk’ als schuldige. Hij deed het voorkomen alsof hij als eerste de problemen met immigranten aan de kaak stelde, nadat ze jarenlang door politiek correcte wereldverbeteraars waren verbloemd.

Toch is hier heel veel op af te dingen. Allereerst waren rechtse partijen (VVD, CDA en zijn confessionele voorlopers) voor een groot deel van de jaren zestig, zeventig en tachtig aan de macht. Zij stonden toe dat honderdduizenden arbeidsmigranten uit Turkije en Marokko naar Nederland werden gehaald. „Massa-immigratie zonder precedent”, zegt Lucassen.

Saillant genoeg was de PvdA aanvankelijk helemaal niet happig op het aantrekken van goedkope arbeidskrachten uit het buitenland. In de ogen van veel socialisten kwam dit neer op broodroof, de onderhandelingspositie van de Nederlandse arbeider zou erdoor verslechteren, als hij überhaupt nog een baan had.

Ook het in de jaren zestig opgetuigde concept van gezinshereniging kwam uit de ‘rechtse kerk´. Christelijke partijen zagen het gezin immers als hoeksteen van de samenleving. Met een gezin zouden die Marokkaanse en Turkse mannen bovendien minder losbandige, bravere burgers zijn. De combinatie van massawerkeloosheid onder Turken en Marokkanen en gezinshereniging leidde in de jaren tachtig echter tot het ontstaan van een nieuwe onderklasse. Vanaf 1983 arriveerden jaarlijks tussen de 6.000 en 10.000 vrouwen en kinderen in Nederland. Die kwamen voornamelijk terechtkwamen in sociale huurwijken, waar de problemen toenamen.

De PvdA omarmde de migranten pas echt in de jaren tachtig, met de opkomst van de Centrumpartij van Hans Janmaat. De partij vreesde dat negatieve berichtgeving over minderheden extreemrechts in de kaart zou spelen. De liefde voor multiculturalisme kwam dus niet voort uit cultuurrelativisme (we zijn allemaal gelijk!), zoals nu vaak wordt betoogd, maar uit angst voor extreemrechts.

En die angst werd, zo kort na de Jodenvervolging, door alle partijen gedeeld. „Van alle partijen heeft het CDA het multiculturele ideaal nog het langst volgehouden”, zegt Lucassen. Fractievoorzitter Maxime Verhagen zei heel recent pas, in zoveel woorden, dat de multiculturele samenleving is mislukt – en werd meteen terechtgewezen door een hele trits partijgenoten.

Eind jaren tachtig kwam een einde aan het taboe op het benoemen van problemen met migranten. De Rushdie-affaire (1989) fungeerde daarbij als een katalysator. Met zijn Duivelsverzen zorgde de Britse schrijver voor grote commotie in de islamitische wereld en ook in Nederland gingen moslims de straat op om een verbod op godslastering en het hoofd van Rushdie te eisen. De rest van het land keek verbijsterd toe.

Het denken over minderheden veranderde, bij rechts én links. De mensen die kritisch waren over de migratie en integratie waren opmerkelijk genoeg voor een groot deel (voormalige) PvdA’ers: de grand old lady van de Nederlandse sociaaldemocratie Hilda Verwey-Jonker, Elsevier-columnist en voormalig PvdA-lid Pim Fortuyn en publicist en prominent PvdA-lid Paul Scheffer, die met zijn roemruchte artikel in NRC Handelsblad de discussie pas echt openbrak.