Lekker shoppen in de fophistorie

In Batavia Stad kun je shoppen in een historisch decor. In Esonstad kun je op vakantie in het verleden.

Het is geen toeval dat die steden juist nu in trek zijn.

Een Nederlandse filosoof vertelde me ooit dat hij tijdens zijn studietijd in Japan met zijn vriendin als bijbaantje heeft gefietst door Huis ten Bosch – niet de residentie van onze vorstin, maar het bekende themapark in de buurt van Nagasaki, dat gevuld is met kopieën van Nederlandse monumenten, waaronder de Dom in Utrecht en Kasteel Nijenrode. De filosoof en zijn vriendin moesten enkele uren per dag rondjes fietsen om bij te dragen aan een authentiek Nederlands sfeertje. Het water in de grachten was als ik hem mag geloven drinkbaar.

Huis ten Bosch werd in 1992 geopend, als een uniek en eigenaardig eerbetoon aan de geschiedenis van Nederland en de Nederlandse architectuur. De afgelopen tien jaar echter heeft dit themapark in Japan dichter bij huis navolging gekregen.

Neem het in 2005 opgerichte Orange County Resort: een vijfsterrenhotel in het Turkse Kemer, vlakbij Antalya. De architectuur is gebaseerd op de binnenstad van Amsterdam: herenhuizen met negentiende-eeuws aandoende trapgevels. Ertegenover staat een rij van nagebootste Volendamse vissershuisjes met glimmende oranje daken. Er is een molen. De hotellobby is geënt op treinstation Amsterdam Centraal, compleet met het logo van de NS.

In 2005 besteedde het actualiteitenprogramma Netwerk aandacht aan dit resort. Je zag bezoekers genieten van de polonaise en van Nederlandse volksmuziek (Frans Bauer, René Froger etcetera). Op het menu stond biefstuk, slavink, haring, frikadel en bitterbal. Een Turks animatieteam zorgde voor nephoeren en nepzwervers.

Aanvankelijk leek mij dit hotel de logische consequentie van wat ik in mijn puberteit op Kreta en aan de Spaanse costa’s had gezien, waar voor de vele Nederlandse toeristen al bier en schotels van eigen bodem werden geserveerd. Orange County zet dan ook hard in om juist Nederlandse toeristen aan te trekken.

Maar deze toeristische trend – laat ik het maar de thematisering van de nostalgie noemen – zet zich sinds enkele jaren ook door in eigen land: het afgelopen decennium zijn er twee ‘steden’ gebouwd waar op een soortgelijke manier de Nederlandse idylle architectonisch gememoreerd wordt. In beide gevallen vormt het ‘historische’ karakter een wezenlijk kenmerk.

Zo is er Batavia Stad, dat in 2011 zijn tiende verjaardag viert. Het ligt even buiten Lelystad en is een Factory Outlet Center, een conglomeraat van winkels waar merkkleding tegen gereduceerd tarief verkocht wordt. De architectuur verwijst naar die van Marken en die van de West-Indische koloniën, waarmee de ‘stad’ volgens de tekst op de website een ‘quasi-authentieke uitstraling’ heeft. Met het Nieuw Land Museum net buiten heuse vestingmuren (’s lands volksgeest in your face: de economie in een ommuurd paradijs, de cultuur in de woestenij) trekt Batavia Stad koopjesjagers, dagjesmensen en toeristen uit binnen- en buitenland.

Het winkeldorp is vernoemd naar de Batavia, een replica van het transportschip van de VOC die aan de Bataviawerf voor anker ligt. West-Indische architectuur en een schip dat naar het Oosten zeilt, het is de bedenkers duidelijk niet te doen geweest om historische nauwgezetheid, het gaat om het oproepen van een bepaalde sfeer. Het woord ‘Batavia’ verwijst zelf natuurlijk verder naar een nog dieper en onbekender verleden, naar het heroïsche Germaanse volk dat in die mysterieuze eerste eeuwen na Christus in deze contreien schijnt te hebben gewoond, een soort oer-Nederlanders dus eigenlijk, niets minder dan de oorsprong van onze beschaving. Het verleden vormt een grabbelton waar je uithaalt wat je nodig hebt.

Ten tweede is er tussen 2004 en 2007 aan het Friese Lauwersmeer een vakantiepark gebouwd: Esonstad. Het bestaat uit ruim tweehonderd vakantiewoningen. Landal Greenparks, dat het park exploiteert, adverteert met woningen gebouwd in Oudfriese stijl, moderne terpwoningen en een jachthaven. De huizen zijn voorzien van alle comfort, bestemd voor Nederlandse en Duitse toeristen.

De naam Esonstad is niet uit de lucht gegrepen, maar verwijst naar het gelijknamig (maar anders gespelde) mythisch Friese plaatsje Ezonstad. Of Ezonstad ooit bestaan heeft is zeer twijfelachtig, want het schijnt slechts te worden genoemd door een schimmige zestiende-eeuwse Friese geschiedschrijver. Symbolischer kan bijna niet. Er is een Waaggebouw, een sluisje en een ‘gedempte gracht’. Natuurlijk is er nooit een gracht geweest om te dempen, het is de initiatiefnemers ook in dit geval vooral te doen geweest om het oproepen van een bepaalde sfeer van historiciteit.

Ik vermoed dat hier iets anders aan de hand is dan bij Orange County, dat je als export van Hollands Glorie zou kunnen beschouwen. Dat dit soort trekpleisters nu ook in Nederland verschijnen, roept de vraag op hoe Nederlanders zich (wensen te) verhouden tot de geschiedenis van hun land. Het lijkt er bijvoorbeeld sterk op dat het verleden kan worden ingezet als consumptieartikel.

Batavia Stad biedt Flevoland tenminste nog wat het niet heeft: een zeventiende eeuw. Als half pretpark doet Batavia Stad het bovendien goed. Maar Friesland barst van de oude steden en schilderachtige dorpen. Wat is de aantrekkingskracht van Esonstad met haar vestingwal, slotgracht en stadspoort? Heeft de verwijzing naar het verleden een zodanig ontspannend en aangenaam effect op de bezoeker dat deze kan wedijveren met the real thing?

Orange County, Batavia Stad en Esonstad zijn in de afgelopen tien jaar gebouwd, een tijd die je zou kunnen kenmerken door angst voor islamitisch terrorisme, wantrouwen ten opzichte van wat vreemd en anders is, onvrede met het politieke midden en het electorale succes van protestpartijen. Mede door migranten, secularisering en globalisering is de maatschappij veranderd. Het is verleidelijk om te denken dat daardoor veel mensen niet goed meer weten wat het betekent om Nederlander te zijn.

Als dit waar is, zou de architectuur dienst kunnen doen als een kalmeringsmiddel, een manier om je gerust te stellen in een omgeving die overzichtelijk, herkenbaar en veilig is. Ongeveer zoals muzak functioneert.

De mensen die ik sprak toen ik onlangs Batavia Stad bezocht, ervoeren de omgeving als ‘leuk’. Dat je een beetje gefopt wordt maakt helemaal niet uit. Nostalgie als vorm van ontspanning, maar dan wel met een knipoog, want nostalgie moet je ook weer niet té serieus nemen (maar intussen...). Het gaat hier om voor de consument geschapen rustdorpen, in afzondering gebouwde steden ontdaan van al hun bedrijvigheid, slechts door eenvoudig van elkaar te scheiden toeristen en personeel bevolkt.

Tegelijk roept het gefabuleerde verleden een sfeer van welbehagen op, op een carnavaleske manier, omdat het op geinig herkenbare wijze het verleden van de natie verwerkt en een idee van Nederland biedt dat wellicht elders in het land onder druk staat. Het lijkt wel alsof het land zichzelf kolonialiseert.

De ironie waarmee dit gebeurt, doet vergeten dat er mogelijk sprake is van een ernstige crisis. Mensen kunnen ervan genieten omdat ze eraan herinnerd worden wie ze ooit waren en omdat ze hun ogen mogen sluiten voor wie ze nu moeten zijn.

Jan-Willem Anker is dichter. Hij doceert aan de Gerrit Rietveld Academie.